Joost van den Vondel (1587-1679)

XCIIIe HARPZANG.

A. 1656

Deus ultionum Dominus.

Gij, die een Wreker zijt
Van ,t kwaad, ten troost van elk, die onrecht lijdt,
Gij Wreker, nooit besproken,
Hebt, zonder gunst of haat, elks leed gewroken.
O God! t is tijd, dat Gij,
Die Rechter zijt in s werelds heerschappij,
Gaat over d ongelijken
Der wreevlen eens een billijk oordeel strijken.
Hoe lang, o Heer! hoe lang
Gedoogt Ge, dat het onrecht ga in zwang,
En, zonder t kwaad te doemen,
Geweldenaars zich van hun boosheid roemen?
Zij stoffen in Uw rijk,
En groeyen alle in schendig ongelijk,
En valsche goddeloosheid,
Braveeren elk in hun bedreve boosheid.
Zij hebben, Heer! verrukt
Door eige baat, Uw eigen volk verdrukt,
En namen hun behagen,
Uw erfdeel fel te persen en te plagen.
Zij hebben arme weew
En vreemdeling vermoord in t moordgeschreeuw,
En ouderlooze weezen
Om hals gebracht, ook zonder straf te vreezen.
Zij stoffen: God de Heer
Zit hoog en droog, Hij ziet zoo laag niet ner.
De God van Jozefs vader
Verneemt het juist zoo stip niet al te gader.
Onwetende geslacht!
Gij dwazen, neemt eens op uw boosheid acht!
De Planter van onze ooren,
Van t scherp gehoor, zou die uw spraak niet hooren?
De Godheid, die nooit sliep,
Zou die niet zien, die t oog bootseerde en schiep?
Beknelt Hij geen geweten,
Die wijsheid leert, en geeselt den vermeten?
D Alwetende verstaat,
Wat ieder veinst en peinst, elke ijdlen raad.
Men moet gelukkig prijzen,
Dien God Zijn wet ontvouwt door t onderwijzen,
Opdat hij in den damp
Des onheils zich leer matigen in ramp,
Totdat de boozen huilen,
En storten in hun diepgegrave kuilen;
Want d Opperste verstoot
Zijn vollek van Zijn aanschijn niet in nood.
Hij zal, in t rustloos leven,
Zijn erfdeel niet verlaten noch begeven;
Totdat de dag van recht
Alle ongelijk rechtvaardiglijk beslecht,
En, s hemels stoel ten prijze,
t Rechtvaardig hart ten troost, het vonnis wijze.
Wie neemt mijn zaak in acht,
Verdadigt mij voor s boozen valsche klacht?
Wie staat en houdt mijn zijde,
Daar t boos geslacht mijn zuiver recht benijde?
Wie anders dan de Heer,
De noodhulp en Beschermer van mijne eer?
Want zonder Gods bewaren
Mijn geest was laag hij s Afgronds schim gevaren.
Wanneer ik riep: mijn voet
Zal slibberen, tenzij Gij mij behoedt;
Dan holp mij Uw genade;
Dan kwam Uw hulp en goedheid mij te stads,
Naar mate van de smart
En droefheid van mijn aangevochten hart,
Verblijdde, in spijt der boosten,
Zich mijne ziel, toen mij Uw hulp kwam troosten. Zoude onrecht Uwen troon
Aanhangen, die door t juk der wetgebon
Vermast den hals der menschen,
Zoodat ze U niet behagen naar hun wenschen?
De schalken mogen stag
D oprechte ziel bespieden uit hun laag,
En s vromen bloed vergieten,
Nadat ze hem verdoemden en verstieten;
Maar God blijft, in den staat
Van druk en angst, der vromen Toeverlaat.
Mijn God is mijn betrouwen.
Ik wil mijn hoop op s Hemels bijstand bouwen.
Hij schenkt elk loon naar t werk,
Verdelgt de kwan, en valt dien hoop te sterk.
Zijn macht verplet ze aan mortel,
Verdelgt Ze, en rooit hen uit, met tak en wortel.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001