Joost van den Vondel (1587-1679)

XCIVe HARPZANG.

A. 1656

Venite, exulte mus Domino.

Koomt nu herwaartl laat ons springen,
Huppelen ter eere van
God, die ons behoeden kan.
Laat ons voor Gods aanschijn zingen,
En krioelen, zang en snaar
Huwen, om dien Zegenaar,
Met muziek en harpe en klanken,
Uit een dankbaar hart te danken;

Want de Godheid, die wij eeren,
Is oneindig groot van macht,
Wijsheid, goedheid, een geacht
Koning hoven alle Heeren,
Alle Goden. Hij bespant
Al den aardkloot met Zijn hand,
Alle bergen zijn Hem eigen,
Die de lucht en wolken dreigen.

D Oceaan, en alle stranden
Zijn Gods schepter onderdaan;
Hij schiep zelf den Oceaan,
En bootseerde met Zijn handen
Al den aardkloot. Eert dien Heer!
Komt, en valt op t aanzicht ner;
Roept Hem aan, die ons het leven
En den adem heeft gegeven:

Want Hij is ons God en Hoeder,
Eenig Eigenaar van al;
Wij zijn schapen van Gods stel.
Hij bestelt Zijn kudde voeder,
Weide, en nooddruft, voort en voort;
Zoo gij nu Zijn stemme hoort,
Och, verhardt, gelijk voorhenen,
t Hart zoo hard toch niet als steenen!

Als voorhene in wildernissen,
Daar men God om nooddruft vergt,
Zijne gramschap proeft en tergt,
Schoon zij man noch bronar missen;
Daar de vaders wondren zien,
En Gods almacht, in t gebin,
Evenwel, door murmureeren,
Hem nog proeven en onteeren.

Dit geslacht volhardt in boosheid,
Sprak Hij endlijk, durft te zwaar
Mij verstoren veertig jaar
Uit verstoktheid, niet uit broosheid;
Och! zij volgen niet de baan
Van Mijn wet, om recht te gaan;
Hierom zwoer Ik, heet van tooren:
Geene rust is hun beschoren.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001