Joost van den Vondel (1587-1679)

XCVIIe HARPZANG.

A. 1656

Cantate Domino canticum.

Zingt den Heer van wind en donder
Nieuwen lof!
Want Hij werkt een heerlijk wonder;
Hier is stof.
Met Zijn hand en heilige armen,
En Zijn kracht,
Kan Hij veilig zich beschermen,
Op Zijn wacht.
Hij laat blijken allen volken
En ontvouwt
Zijn gerecht, dat uit de wolken
t Veld behoudt.
Hij gedenkt Zijne erfgenade,
Lang beloofd
Aan Zijn stamhuis, niet te spade,
Als hun Hoofd.
Alle landen, alle palen
Zagen bloot
t Heil der wereld nederdalen
Uit Gods schoot.
Dat al d aarde juiche en zinge
Tot Gods eer,
En op harpen danse en springe,
Keer op keer!
Speelt den Heere, op vel en luiten.
Zet een wijs
Op trompet, kornet, en fluiten;
Zingt Hem prijs!
Huppelt voor des Konings tronen!
Aarde, en zee,
Al die om den aardkloot wonen
Hupplen me.
Laat de stroomen van de landen,
Nu verheugd,
Vrolijk klappen in hun handen,
Rijk van vreugd.
Dat de bergen zich beroeren!
God verschijnt,
Om elks landrecht uit te voeren,
Dat nu kwijnt.
Hij zal al het aardrijk rechten
Naar Zijn wet,
t Ongelijk des volks beslechten, Zonder smet.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001