Joost van den Vondel (1587-1679)

XCVIIIe HARPZANG.

A. 1656

Dominus regnavit, irascantur.

Toen t Heidendom was uitgedreven,
Regeerde God dit Rijk.
Laat alle Gods bandieten razen,
Al d aarde te gelijk
Van moeite twist en oproer beven,
Dat zal Hem niet verbazen,
Die uit den Cherubijnetroon
Elk zwichten beet voor Zijn gebon.

De Heer is t eenige Alvermogen
Te Sion, en zit boog
Verheven boven alle volken,
In top van s Hemels hoog.
Laat elk, van ijver opgetogen,
De Godheid aan de wolken
Verheffen, en Zijn naam en lof,
Die grooter is dan t Hemelsch hof:

Want heilig, schriklijk, en vervaarlijk
Is d eerste Majesteit,
En s Konings Mwjesteit beminde
Het recht, zoo vlak als t let.
Gij stelde een wijs en wet eenpaarlijk
Voor alle Uw wetgezinde,
En handhaaft Jacob, Uwen knecht,
Door loon en straf, bij t wettig recht.

Verheft dan onzen God te zamen,
En bidt de voetbank aan,
Die God gewijd is, en Zijn treden.
Volgt Mozes onderdaan,
En Aron mede, welker namen
Het priesterdom bekleeden,
Als Samul, en bij hun tijd
Gods naam aanbeden, hoog gewijd.

Zij hielden aan, God aan te roepen;
Hij hoorde hen terstond,
Sprak met hen uit een wolkkolomme.
De wetten, bij Gods mond
Gestaafd voor Jacobs twalef troepen,
Bewaarden zij alomme;
En Gij verhoorde, o Jacobs God!
Hun bede en klacht, van t eeuwig slot.

Op hunne aandachtige gebeden,
Voor s volks vergrijp gestort,
Bedaarde Uw strenge gramachap weder,
Die U ter straffe port.
Gij liet U zoenen van beneden.
De boozen voelden wreeder
En strenger Uw gerechte wraak,
Tot voorstand van Uw erfdeels zaak.

Verheft dan onzen God te gader,
En offert zonder erg,
Op Zijnen heilgen berg,
Den heiligen en hoogsten Vader!
Want zulk een heiligheid
Dien lof van ons verbeidt.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001