Joost van den Vondel (1587-1679)

CIIIe HARPZANG.

A. 1656

Benedic, anima mea, Domino.

Welaan, mijn ziel! hef aan, met achoone wijzen,
Den Zegenaar van al wat leeft to prijzen.
Mijn Heer, mijn God! hoe heerlijk straalt Ge in t oog
Der volken, uit Uw heerlijkheid omhoog!
Gij hebt omhoog de schoonheid en t vermogen,
En loflijkheid en wijsheid aangetogen,
Als een gewaad, en zit voor elke gezicht,
Behangen en bekleed met hemelsch licht,
Een mantel, rijk van zonnegoud en stralen.
Gij spant het hof der hemelen, vol zalen,
Met kunst gewelfd, in t ronde uit, als een tent
Van vachten, van het een aan t ander end.
Gij overdekt het vier, in top geschoven,
Met eene zee van wateren daar boven.
Uw wagen is een wolk, waarvoor Uw hand,
Wanneer Gij vaart, de winden innespant,
Die door de lucht op hunne vleugels drijven.
De Geesten, die, vol viers, Uw wetten stijven,
Gebruikt Gij tot Uw stoet en bodn van t hof.
Gij hingt den kloot der aarde, zwaar en grof
Van lichaam, in de lucht, daar zonder leunen,
En zonder op geleende macht te steunen,
Gansch onverwrikt en dicht op een gepakt,
De Zwaarte naar haar eigen midpunt zakt,
En van zich zeil gestut wordt en gedragen,
Ook niet vermoeid door eeuwigheid noch dagen.
De zee in t rond, zoo grondeloos en breed,
Bedekte d aarde in t eerst, gelijk een kleed.
Het water, eer de duin en watren zonken,
Hiel hoog gebergte en rotsen diep verdronken;
Maar toen Gij t schuim begraauwde, vloot het voo2
En schrikte, waar de donder in zijn oor
Van boven klonk, verdronke besgen haalden
Hun adem in de lucht, de velden daalden;
Elk element koos t perk, dat Gij hun weest.
Gij stelde een peil de wilde Zee, die vreest
Het peil, bij U gezet, voorbij te trekken,
En t aardrrijk wer met golven t overdekken.
    Gij laat de bron en bronar uit het dal,
En berg en rots, zon helder als kristal,
Ontspringen, om het dorstig vee te drenken,
En in het woud den ezel versch te schenken,
Wanneer hij raast en gigaagt, schier versmacht
Van fellen dorst, naar koele bron en gracht,
In wildernis. Hier nestelen de vogels
In tak en hage, of drijven op hun vlogels,
En zingen uit de rotsen, dat het klinkt.
De steile top van berg en steenrots drinkt
Den regen en den dauw, die uit de wolken
Het aardrijk laaft. Uw schoot verzaadt de volken
Met ooft en vrucht, en voedzaam veldgewas.
Gij weidt het vee met voeder, loof, en gras,
En voedt den mensch, terwijl hij slaaft, met kruiden;
Teelt terwe en zaad, tot voedsel voor de luiden.
De wijn verheugt den geest, d olijf verkwikt
De smert. Het graan het hart versterkt eer t stikt.
Het groene woud, en Libans cederboomen,
Van God gezaaid, bevochtigt Hij met stroomen
Van regen, en met verschen morgendauw.
Hier bouwt de musch haar nest uit zorge, om trouw
Haar ter gebroed en jongen te bewaren.
Hier nestelen en broeden d oyevaren,
Aanleiders van t gevogelte op hun tijd.
De harten gaan op bergen hoog en wijd
Te weide in t wild. Hier bergt in rots en klippen
De haas zijn lijf, en weet den houd t ontglippen.
    De Vader van het licht ontsteekt de maan
Op haren tijd. De zon weet op te staan,
En zinkt in t Weste, op t uurwerk, haren luister;
Dan valt de nacht op t aardrijk, zwart en duister;
Dan slaakt het bosch wat in zijn schaduw schuilt;
t Gedierte, op roof verhit, valt uit en huilt;
Het leeuwehol brult om roof met al zijn jongen,
Eischt aas van God, door hongersnood gedrongen,
Totdat, de zon aan t rijzen, zij hun best
Vergaderen, en weder gaan te nest.
    Nu gaat de mensch naar akker, vee, en stallen
Zijn dagwerk spon, totdat de zon, aan t vallen,
Den avond roept. O hoogste Majesteit!
Hoe straalt Uw macht en wijsheid en beleid
Uit al Uw werk, volwrocht in drie paar dagen!
Uw wijsheid nam haar opperste behagen
In dezen bouw. Uw wijze macht bezit
Dit groot heelal, en waart van lid tot lid.
    Gij overspant den oceaan, de stranden,
De ruime zee en watren, met Uw handen,
Daar t element van visschen, zonder tal,
Gedurig krielt, daar grooten overal
De vlechten van de groene baren kemmen
Met vinne en staart, de kleenen welig zwemmen
Bij duizenden, tot s visschers onderhoud.
Hier durf bij storm de zeeman, al te stout,
Zich op een balk en s waters ongenade
Betrouwen, dag en nacht en s avonds spade.
Hier speelt en drijft de walvisch, als een klip
En eiland, tot een schrik van menig schip.
Al wat er drijft en tuimelt in de vloeden
Ziet naar Uw hand, die al wat leeft kan voeden,
Te zijner tijd. Gij opent en ontsluit
Uw hand, en deelt elk een zijn nooddruft uit;
Zij nemen t aan; maar keert Gij Uwen zegen
En aanschijn van hun af, zij staan verlegen.
Onttrekt Gij hun Uw kracht, zij keeren ras
Tot stof, vergaan, en worden stof en asch.
Indien het U belieft, hun kracht te geven
En ziel en geest, men ziet ze weder leven,
En d aarde trekt een ander aanzicht aan.
De Godheid zij, eeuw in, eeuw uit, voortaan
Geheiligd, en ten hemel toe geprezen!
Die prijs gedij tot blijschap van Gods wezen,
Terwijl Zijn werk elks mond tot lof verplicht.
Het aardrijk beeft alleen voor Zijn gezicht.
Tast Hij gebergte en steenrots aan, zij schrikken,
En rooken. Ik wil mijn gemoed verkwikken
In t loven van den grooten Eigenaar,
Zoo lang ik leef, en Hem, met zang en snaar,
Uit dankbaarheid verheffen hier beneden,
Zon lang de geest zal zwieren door mijn leden.
Mijn lof behaag den Hemel doorgaans heen.
Ik schep mijn vreugd in God, en anders geen.
Dat d aarde al die des Hoogsten lof mishagen,
De boozen, zie, als stof voor wind, uitvagen!
Welaan, mijn ziell loof God, uw leven lang,
Met harpe en snare en Hemelsch maatgezang.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001