Joost van den Vondel (1587-1679)

CIVe HARPZANG.

Aļ. 1656

Confitemini Domino.

Verheft met zang der dingen Heer en Vader,
En roept den naam des Oppereteis te gader
Eendrachtig aan. Trompet in ít Hesdendom
Zijn werken, rijk van wonderen alom.
Huwt keel en anaar te zausmn, Hem ter eere,
Ontvouwt op ít rijkat de wondreis van dien Heere!
Uw lofzang drave op Zijnen hemlgen naam;
Uw hart verbljde, in ít natre?n van Gods faam,
Zich cp dien lof. Zoekt lof in Hem te loven,
En groeit hierin, dat Hij geprezen boven
Alle andren sta. Zoekt, stijgende in het licht,
Geatadig aan Zijn heilrijk aangezicht,
Ons hoogste goed. Gedenkt aan al de wondren,
Die wijd en zijd in ieders ooren dondren;
Hoe God Natuur verbaasde, als Hij haar perk
Te huiten ging door menig wonderwerk;
Hoe Hij zich niet woŻ binden aan haar regel,
Toen Zijne macht de boozen, met den vlegel
Van ís Hemels wraak, verplette, streng en straf,
Of uit de lucht Zijn sta mhums wetten gaf.
U spreek ik aan, o Vader-Abrams zoneO!
Aanbiddera van den stoel en troon der tronen;
O Jacobs zoons, gckoren door het lot
Des Heilverínonda ten dieust van ťťuen God!
    Dezelve God, het hoofd der Godgenooten,
(Wiens heerschappij, van grens noch eeuw besloten,
Veel wijder dan de kloot der aarde strekt,
Zoo wijd de lucht met wolken hangt gedekt)
Gedacht in ít einde aan erf belofte en zegel
Van Zijn verbond, gesteld tot eenen regel,
Eeuw in, eeuw uit, en wat Hij had geboŰn
Aan duizenden, den vader en den zoon,
Aan stam en telg, zon lang de menechen leven.
De Hoogste dacht, wat wet Hij had gegeven
Aan Abrahsm, en wat Zijn mond 2OO dier
Aan Izak zwoer; wat Hij aan Jacob hier
Zoo streng gehood, en hoe, door gunst gedreven,
Hij ít stamhuis had in ít Heilverboud verheven,
Dat dí eeuwen zou verduren, toen Hij sprak,
Die nooit de trouw van Zijn belofte brak:
Ą ík Zal Kanaan aan u en nwe neven3,
Ten eigendomme en errefdeele, geven.
Zij waren toen nog dun gezaaid in ít land,
E,ís zaten bloot, als vreemden, slechts een hand
Vol zielen, op genade bij elkander.
Zij zworven vast van ít eene volk naar ít ander,
Van rijk tot rijk; maar God, die zorge droeg,
Gedoogde niet, dat iemand handen sloeg
Aan dezen stam, en strafte zelfs de Vorsten
En Koningen, die hen aanranden doraten.
Hij dreigde en sprak, die Koningcn gebmedt:
ĄZiet voor u, raakt mijne crfgezalfdeii niet!
Vergrijpt u niet aan Mij, in Mijn Profeeten!
Dí Almogendbeid, die ít al kan overmeten,
Riep uit de lucht den honger naar den Nijl,
Die al het graan, des levens stut en stijl,
Verteerde; maar Hij stuurde lang te voren
Een held voorheeni, went Jozef, vrij gcboren,
Werd voor een slaaf aan Potifar verk3cht,
Die smeet hem in de boeycn; daar bezocht2
Hij, hoe het smert, wanneer het zwaard van rouwe
Zijn hart doorsneed, op dí aanklacht van Mevrouwe,
Tot dat in ít eind de schenker, in zijn kracht,
Aan Faroís discb de profecy gedacht.
De Koning liet h,in halen uit het duister,
En slaakte voort den kuaap van boei en kluiater.
Gods rtde nntstak zijn hart, gelijk een vier
En fakkelbnaed. Het hoofd der volken, fier
En hoog in top van Memfiaí troon gezeten,
Verloste hem van kerker en van keten.
Hij zette hem, onthaald met ccce en lof,
Ten Heere, in ít groot ben mud van Rijk en Hof,
Om oversten en grmjzen voor te lichten,
En met zijn licht van wmjsheid hen te stichten.
Ditís d~ oorzaak, dat het gaiische stanohuis kwam
In ít rijke ~E~ypte, en Jacob ít erf van Cham
Zou lang bezat, daar dí afkonist, sterk aan ít groeyen,
Veel sehooner door Gods zegen scheen te bloeyen,
Dan ít zaad des lands, dat Jacob vijand was.
De Zegcnaar van Lak, op dat pas,
Bestelde .~gypte ook stof om hen te haten,
Die zegenrijk zich op Gods arm verlaten.
Dí ∆gyptenaar, vol nijds, legt, nimmer mal,
Doortrapt en schalk op onderdrukken toe
Van ít volk, dat God voelt leven in zijne a,llren,
Hem eert en nmdt, op ít spoor der oude Aartavadren.
De Godheid zond hun Mozes, ís Hemels tolk,
En Aron, Oud gewijd, ten dienst vamm ít volk.
Hij sterkt hun last, door menig wonderteeken,
Door wondeida‚n, in ít land van Cham gebleken.
Hij dekte ít lanJl met schaduwen en nacht
En duisternis, dewsjl ít vervaard geslacht
Den hoogen last der Godheid niet woft hooren,
U~ít nmttren haat, gevat op Gods verkoren.
Gods macht mmsschept de wateren in bloed,
Emi smoort den visch, hij ít element gevoed.
..Rgy~te krielt van vorschen, die hier dwalen
Van huis tot huis, ook zelfs in ís Koninga zalen.
De krekel en de paardsvlteg kwelt het Rijk.
De hagel slaat de vruchten in het slijk.
De bliksem zengt den akker in ít verheffen
Der boven, die de vnjg en wijnstok treffen,
En bosch en boom, met wortel, tak en al,
Uitrukken op gebergte, in woud en dal.
De sprsnkhaan en ontelínre kevers teren
(Jp weide en loof, zij groeyeu en vermeeren,
Verslinden gras en koren te gelijk.
De Hemel treft al dí oudste zoons van ít Rijk,
En dí eerste schoof en vrucht der akkerbouwen3.
Ten leste voert de Godheid haar getrouwen
Uit Faroís rijk, heel zcgenrijk en stout,
Met al de pnaal van zilver en rood goud,
Met kunst gewrocht, den vrekken nageburen
Door last van God ontleend in dí uiterste uren;
En onder zoo veel duizend zielen treedt
Niet een, die klaagt van krankheid of te leed.
∆gypte juichte en loech, toen zij vertogen,
Uit schrik voor God, hun toevlucht en vermogen,
De Godheid trad, als schutshecr, vd6r alom,
In eene wo!ke en g!olnde vierkolom,
En lichtte hun hij nacht, gelmjk een fakkel.
Zij baden Oud, die hen met nmanne en kwakkel
Verzadmgde uit den milden schoot der lucht.
Hij klonk de rots, daar elk van droogte zucht,
En ít water sprong, gelijk een waterader,
Met bekeim uit, en laafde ze al te gader,
In wildernisse en dorstige woestijn
Want Hij gedacht getrouw, in dezeu schijn,
Aan Zijnen eed, zou heilig den verkeren
Aartsvader, als Zijn eigen zoon, gezworen.
Hij leidde Zijn verkoorneti juichende uit
En erfgenaam, op ít blij triomfgeluid.
Hij gaf ze ít land, dat dí onbesneden derven,
En deelde hun des ouliesnedens erven
En arlíeid uit en heerelijk bezit,
Opdat ze, in Zijn geboden, ís Hemels wit
Beoogende, en onschuldig aan Gods vloeken,
Uit dankbaarheid Zijn wetten onderzoeken.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001