Joost van den Vondel (1587-1679)

CVe HARPZANG.

Aļ. 1656

Confitemini Domino, quoniam.

Verheft den Heer, en draaft op Zijnen lof,
Die, uit den aard zoo gaafrijk en weldadig,
Van weldoen vloeit, en zegent asch en stof,
Eeuw in, eeuw uit, bermhartig en genadig.
Wie kan het peil van Zijn gestege macht,
Met harte en tong, bereiken onder ít prijzen?,
Wie kan Gods lof uitzetten in Zijn kracht,
Dat die doorgaans mag volstaan bij Zijn wijzen?
Dat zijn ze, die, hier zalig in hun hoop,
Rechtvaardiglijk het heilig recht handhaven,
Rechtvaardiglijk, in al hun levensloop,
Doorgaans met lust op deze renbaan draven.
Gedenk, o Heer! naar Uw voorzienigheid
Uw eigen volkí, tot ís Hemels heil verkoren.
En ít lot, zoo ít U behaagt, elk toegeleÓd,
Van eeuwigheid rechtvaardig elk beschoren.
Verschijn ons met Uw Hemelsche gen‚,
Die heilzaam is, en ís meuschen hart rechtvaardigt,
Opdat wij zien en kennen, vroeg en sp‚,
Den schat, dien Gij ít verkoren hart gewaardigt;
Opdat we ons deel genieten aan de vreugd,
Uw volk bereid, en die in ít leven smaken,
Wij Uwen naam verheffen voor die deugd,
En in dien lof met alle Uwe erven blaken.
Maar wij, o Heer! misgrepen ons te snood
Op ís levens baan, met onze vadren tí zamen;
Ons onrecht en onbillijkheid was groot,
En paste minst Uw wettige erfgenamen.
Ons vaders in ∆gypte vatten niet
Uw wonderen, gedachten niet Uw werken,
Zoo menigmaal ten troost in hun verdriet
Gebleken, om het flauwe hart te sterken.
Zij tergden God in ít afgaan naar de zee,
De ronde zee, door wanhoop en mistrouwen;
Nog holp Hij hen, wiens macht den vloed doorsneÍ,
Om Zijnen naam en macht voor elk tí ontvouwen.
Hij heet de zee, de roode watervloÍn,
Zich scheiden, en de baren staan gescheiden,
Hij leidt ze droog, door kil en kolk, met schoen
En drooge zool, als over dorre heiden,
Hij vrijdt ze met zijn arm voor ís boozen haat,
Verlost ze trouw uit ís vijands stale handen,
En sluit de vloÍn, daar Fíaroís heer vergaat,
Karos, noch paard, noch ruiter kan belanden.
Zij stonden toen op Zijn almachtig woord,
En loofden God met staatsiŽn en reyen,
En ommegang, toen Faro lag versmoord.
Zij loofden God met bommen en schalmeyen.
Zij slaan terstond Gods daden in den wind,
En wachten niet het einde af van Zijn raden,
Vervallen, door begeerte en lust verblind,
In ít woeste veld, met hongersnood beladen.
Zij proeven God, en murmareeren fel
Door watersnood in dorre wildernisse.
Hij drenkt en spijst, verzaadt, en helpt ze snel,
Zoo mild, dat geen van al Zijn nooddruft misse;
Nog tergen zij hier Mozes in het veld,
En Aron, die voor ít heiligdom des Heeren,
Als Priester waakt, en ieder wetten stelt,
En aanhoudt met brandofferen en leeren.
Het aardrijk gaapt, verzwelgt Abiron voort
En Dathan, met zijne opgespalkte kele,
Daar ít volk verga‚rt, en ziet, hoe ít kwaad versmoord
Den Afgrond en Gods gramschap valt ten deele,
Het vier ontsteekt, daar ít oproer is verga‚rd.
De vlam verslindt weÍrspannige rebellen,
En raadt elk, dat hij zijnen plicht bewaart,
Geen oproer sticht, als dolle rotgezellen.
Nog zetten zij in Horeb op een paal
Het gouden kalf, uit louter goud gegoten,
En bidden ít beeld des Afgods van metaal
Krankzinnig aan, als blinde altaargenooten.
Zij wisselen Gods eer in os en kalf,
In kalfs gestalte, een kalf, dat hooi moet eten!
De Godheid, die hen zalfde met de zalf
Van heil en troost, wordt reukeloos vergeten.
De Godheid, die zon groote wondren werkt
Omtrent den Nijl, en menig heerlijk wonder
In Chams gebied, zou schrikkelijk hen sterkt
In ít ronde meer, gaat in hun harten onder.
Toen sprak Hij: Ą ík zal ze uitroeyen door Mijn macht;
En zonder dat het Mozes voorbeÍ schutte,
Zich in die breuk ging zetten op zijn wacht,
Het volk verzonk, dat hij met bidden stutte.
Zoo stuitte hij Gods toorne en hunne straf.
Zij zouden ít land, waarnaar de stammen trokken,
ít Gewensehte land niet achten, noch den staf,
Die hen geleidde in ít bomen van dit wrokken;
Zij zouden ít land, aan Jacobs zaad beloofd,
ít Gewenschte land niet achten, noch gelooven
Gods woord en trouw, hun zorg en troost en hoofd;
Het morren kwam door wanhoop telkens boven.
Zij luisterden te spade naar Gods last.
Hij had zijn vuist in woestenij geheven,
Hen lang verdelgd, verstrooid, en aangetast,
Met zaad, met al, tot ís Heidens roof gegeven.
Nog offerden zij Bašllegor zelf,
En aten, aan den offerdisch der dooden
Spijsoffers, in het Afgodists gewelf,
En tergden God met hun gedroomde Goden;
Daar duizenden te jammerlijk vergaan.
Fineas stond dien dollen ijver tegen,
Verzoende God, en hiel Gods gramschap staan,
Toen hij ít bordeel had met zijn speer doorrcgen.
Dat rekent God hem toe, van kind tot kind,
Eeuw in, eeuw uit, voor een gerechte wrake,
Genomen van een lasterstuk, zoo blind,
Eer ís Hemels roÍ de zes paar stammen rake.
Zij tergden God aan ít water-van-krakeel,
Dsar Mozes om moet lijden, door mistrouwen,
Toen zij zijn hart benauwden, en geheel
Verbitterden in dorstige landouwen.
De majesteit des Hemels onderscheidt
Den valschen dienst, door Zijn gedurig belgen,
Daar Hij hen straft, die spade staan bereid
ít Afgodisch zaad te dempen, te verdelgen.
Zij mengden zich met afgodsdienstig bloed,
En leerden blind jnun blinde GoŰn behagen,
Gesneden, of gegoten in den gloed
Des viers, waarop Gods tooren hen komt plagen.
Zij offerden hun kinders zelfs aan ít spook
Des Afgronds, beÓ de dochters en de zonen,
Vergoten het onnoozel bloed in smook,
En weten van geen kunne te verschoonen.
De maagd en knecht wordt AfgoŰn toegewijd,
En ít heilloos beeld in Kanašns gewesten;
Het aardrijk ook met bloed, van tijd tot tijd,
Besmet, daar zij met menschen heuvels meeten.
Het aardrijk wordt door hunne Afgoderij
Met moord bevlekt. Zij offren, en boeleeren
Met valsche GoŰn, en boelen aan hun zij,
Daar zij genood den offerdisch stoffeeren.
Gods tooren blaakt hierover, gansch ontsteld,
Hij plaagt Zijn volk, en gruwt voor hunne stappen,
En levert ze aan hun vloeken, en ít geweld
Der onbesneÍn, die hen, als slaven, trappen.
De vijanden verdrukken hen; elk zucht,
En laat het hoofd, in ís haters banden, hangen,
Nog redt ze God bij wijlen, zonder vrucht.
Zij tergen hem door hun verkeerde gangen.
Zij voelen in hun boosheid ís Hemels hand.
Hij hoort hun bede, in ít nijpen van het lijden,
Gedenkt met rouw aan ít oude wetverband,
En redt ze, vol genade, in kwade tijden.
Hij neemt ze, reis op reis, in dí armen van
Zijn gunste en hoede, in ít aanzien van den vijand,
Die hen vervoerde, en klaarlijk merken kan,
Hoe dí almacht waakt tot ís onderdrukten bijstand.
O, vader van uw kindren, lieve Heer!
Verlos ons uit den klauw der vreemdelingen,
Opdat, Uw naam geheiligd meer en meer,
Wij Uwen lof met vollen zegen zingen!


Geloofd zij God, de Vorst van IsraŽl,
Eeuw in, eeuw uit! Och, of de stammen kwamen,
En loofden Hem met zang en snarespel,
Uit ťťnen mond en harte en ziele tí zamen!


 


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001