Joost van den Vondel (1587-1679)

CVIe HARPZANG.

A. 1656

Confitemini Domino.

Verheft den Heer, en draaft op zijnen lof,
Die uit den aard, zou gaafrijk en weldadig,
Van weldoen vloeit, en zegent asch en stof,
Eenw in, eenw uit, bermhartig en genadig.
Laat allen, die van God zijn vrijgekocht,
Om prijs gelost uit s vijands klanwe en banden,
En weer bij een in t vaderland gebrocht,
Hem loven met hunne opgeheve handen,
Die, wijd verstrooid, gevangen zaten, daar
De zon verrijst, of daalt benen de kimmen,
Of daar den kreeft de hitte valt te zwaar,
Of daas in t sneeuw de Noordsche beren grimmen.
Zij zworven in woestijne om, afgepijnd
Op dorre heide, en vonden stad noch muren,
Om ner te slaan, daar t hart van flauwte kwijnt,
En nauwlijks dorst en honger kan verduren.
Zij klaagden God, met tranen, hunnen nood
En droefheid, daar zij ramp en kommer leden,
Hij hoort hun klachte, en geeft zich erndlijk bloot,
En redt en helpt ze uit al hun zwarigheden.
Hij voerde hen, langs eene korter baan,
Naar eene stad, om veilig daar te wonen,
Dat geeft hun stof, zijn goedheid, stadig aan,
En wonderen bij elk met lof te kronen,
Want hij verzaadt den uitgevasten buik,
Verzaadt en voedt de hongerige magen,
Ontboeit ze, die, versteken van t gebruik
Der zonne, haar in geenen kerker zagen.
Hij rukt hen uit de schaduw van de dood,
Die, naakt en arm, geketend en gebonden,
Gods wrt en raad verbitterden te snood,
En tergden, reis op reis, door schalke vonden.
Uit dezen poel is hunne straf gevloeid
En zwarigheid, daar God de trotsche harten
In t veld vernerd, door s vijands handen boeit,
En hulpeloos vervoert in druk en smarten.
Zij klaagden God met tranen hunnen nood,
En droefheid, daar zij ramp en kommer leden;
Hij hoort hun klachte, en geeft zich eindlijk bloot,
 En redt en helpt ze uit al hun zwarigheden.
Hij komt ze van s doods schaduwen ontslaan,
En breekt hun boei, daar zij geketend wonen.
Dat geeft hun stof, zijn goedheid, stadig aan,
En wonderen hij elk met lof te kronen.
Hij brijzelde de poorten van metaal,
En staal en slot, en brak alle ijzre boomen,
Ontving ze op weg n,t hun verdiende kwaal
En straf, daar zij door eigen schuld toe komen.
Geen spijs noch drank kon langer over t hart.
Zij walgden van de spijs, hun aangeboden,
En lagen voor de poort des doods, benard
Van angst en schrik, geperst van duizend dooden.
Zij klagen God, met tranen, hunnen nood
En droefheid, daar zij ramp en kommer leden;
Hij hoort hun klachte, en geeft zich eindlijk bloot,
En redt en helpt ze uit al hou zwarigheden.
Hij zond en bood zijn heilzaam woord hun aan,
Dat hen genas en t leven kon verschoonen.
Dit geeft hun stof zijn goedheid, statig aan,
En wonderen hij elk met lof te kronen.
Men offre vrij een offer, rijk van lof,
Trompette vrij zijn werken met verblijden.
De zeeman, die de zee bevaart, heeft stof
Te worstelen, en met de vlon te strijden.
Hij ziet Gods macht en wondren in de vlon,
Spreekt God een woord, men ziet de storm bedaren
En golven, die tot aan den hemel won.
De zeeman vaart ten hemel met de baren,
Dan zinkt hij in den afgrond uit de lucht.
Zi n hart bezwijkt, Van angst en schrik gedreven.
Hij suft, gelijk een dronkaart, die beducht
De beenen voelt in t struiklen hem begeven.
Hij suft en dut, gelijk een dronken hoofd,
Dat ommeloopt. Nu legt de stuurkunst achter.
Zij schijnen al van hun verstand beroofd,
Nu past het stuur op stuurman, noch op wachter.
Zij klaagden God, met tranen, hunnen nood
En droefheid, daar zij ramp en kommer leden,
Hij hoort hun klachte, en geeft zich eindlijk bloot,
En rept en helpt ze uit al hun zwarigheden.
Gods macht verkeert het holle water haast
In stilte, en streelt en kemt de golven effen,
Die zwijgen, als de wind niet langer blaast,
En dorven zich niet roeren, noch verheffen.
Het bootsvolk lacht; het buldren is vergaan.
Men vindt de reede en haven, die hen loonen.
Dit geeft hun stof, Gods goedheid, stadig aan,
En wonderen bij elk met lof te kronen,
Dat volk bij volk, in t Heiligdom vergard,
De Godheid vrij verheffen en onthalen,
En d oudsten, uit hun stoelen, hemelwaart
God loven, in het midden der Koralen.
Hij dempt der, stroom, en t land legt ongebouwd,
Of tapt dien af, en laat den grond versmachten.
Zijn vloek bezcaait de vruchtbre klei met zout,
Een straf des volks, die zijnen dienst verachten.
Het dor gewest verrijkt Hij met een vliet;
De barre hei bevochtigt Hij met beken.
Nooddruftigen zet Hij in dit gebied,
Die bouwen kloek een stad in deze streken.
Zij ploegen en bezaayen bier bet land.
Zij planten wijn, en winnen schoone vruchten.
Gods zegen vloeit hun toe uit zijne band.
Hun vee wast aan in die gezonde luchten.
Wanneer zijn hand de landen plaagt en treft,
Dan minderen de zielen door die plagen,
Door smert en pijn, waar t jammer zich verheft,
Moet elk zijn deel, dat hem te beurt valt, dragen.
Bij wijlen gist hij een versmaadheid uit
Op oversten en amptenaars en grooten,
Die dwalen, op het spoor van t hoog besluit,
Van t rechte pad, en worden uitgestooten.
De noodruft redt hij uit hare arremo,
Bevrijdt ze, en slaat haar, als een herder, gade,
En ziet op huis en huisgezinnen toe,
Als op zijn kudde en schaapskooi, uit genade.
Godvruchtigen zien Gods voorzienigheid,
En loven hem met vreugd naar s Hemels toppen.
De boozen staan beschaamd voor t wijs beleid
Des Hemels, dat hun weet den mond te stoppen.
Wie is zoo wijs en vroed dat hij beseft
Der dingen beurte, en t eind van kwan en goeden,
Hoe Gods gen rechtvaardigen verheft?
Wie kan dit klaar bespieglen en bevroeden?


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001