Joost van den Vondel (1587-1679)

CVIIe HARPZANG.

Aļ. 1656

Paratum cor meum.

Het ga naar Gods behagen,
Het ga met mij zoo God wil, mijn gemoed
Getroost zich dat te dragen,
Mijn hart getroost zich weelde en tegenspoed.
Ik zal U eere zingen,
En zingen op mijn harp een blijde wijs.
Mijn geest, ít is tijd te springen
Uit uwen slaap, uit lust tot ís Hemels prijs.
Mijn luit, ít is tijd te springen
Uit uwen slaap. ík Wil opstaan ís morgens vroeg,
En God ter eere zingen,
En spelen, waar het aardrijk menschen droeg;
Want zijn gen‚, vol klaarheid,
Bereikt de lacht; al wat zijn mond belooft,
Zijn toegezeÓde waarheid,
Doordringt het zwerk en wolken met haar hoofd.
Na zweef, o God ít naar boven,
Ten Hemel, op de veders van uw lof.
Uwe eer en prijs sta boven,
Waar menschen hier rp dí aarde trein in ít stof. Uw rechte hand behoede
Mij in den strijd, opdat ik, die gij mint, Beachnite met mijn mede.
Verhoor mijn hei, gelijk een vader ít kind.
De Godheid profeteerde
Door mijnen mond, gewijd tot haar Profeet;
Ik zal, wat vloek mij deerde,
Den stoel des rijks bezitten, zonder leed.
ík Zal Sichems groene beemden
Verdeelen, en uitmeten dal en grond,
Die Jacob kocht van vreemden,
En daar zijn tent van ouds gespannen stond.
De landen van Manasse
En Galašd en EfraÔm zijn mijn;
Wat dapper held ook wasse
In EfraÔm, uit Jozefs stamme en lijn;
En Juda die ten rijke
Geboren is, en Moab, als een vat
Vol vleesch, dat zijns gelijke
Niet kent, mijn hoop en toeverlaat geschat.
 ík Zal dí IdameŽn bekrijgen,
En draven op den bodem, als hun Heer.
De vreemdeling zal zwijgen,
En buigen voor mijn schepter en geweer.
Wie voert me naar die streken,
Ontsluit me daar de sterke poort van ít hof?
Wie zal, op ít oorlogsteeken,
Mij voeren door het Idumeesche stof?
Zult Gij, o God! niet strekken
Ons Leidsman, die uit gramschap ons verstiet?
Zal ons Uw macht niet dekken,
De leidsman, die ons hulp en bijstand biedt?
O noodhulp ít help de droeven;
Want menschentroost is krank in droeven staat.
Uwe almacht schroeft de schroeven
Van ít hart, verdelgt de boosheid, die ons haat.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001