Joost van den Vondel (1587-1679)

CXIe HARPZANG.

A. 1656

Beatus vir, qui timet Dominum.

Zalig leeft hij, die God vreest t ontwijden,
Machtig op zijn wetten past,
Men zal zien, hoe machtig t allen tijden
t Heilig zaad op d aarde wast.
God zal d afkomst der oprechten zeegnen,
Eer en rijkdom op het huis
Des gerechtigen van boven reegnen;
Dat verduurt al t aarsch gedruisch.
Eeuwig zal Zijn goede naam beklijven,
t Hemelsch licht in duisternis
Opgaan voor die vroom en oprecht blijven,
En daar God geheiligd is,
Want Hij is bermhartig, goed, rechtvaardig,
Een Godvruchtmge tait den aard
Is gespraakzaam, buigzaam, en mewaardig,
Helpt en troost elk onbezwaard.
Hij is rijp bedachtzaam in Zijn rede;
Want Zijn raadslot wankelt niet.
s Vromen naam en faam houdt eeuwig stede,
Ook als tijd en eeuw verschiet
s Vromen faam ontziet geen lasteringen,
In verdriet en tegenspoed
Rust Zijn hart, gemoedigd voor t bespringen,
Op Gods toezicht wel gemoed.
s Vromen hart, gegrond door vast betrouwen
Op de Godheid, even pal
Stand houdt, tot dat God hem laat aanschouwen
s Vijands nederlaag en val.
Gaafrijk zaait Hij, en besteedt Zijn gaven
Aan den armen in der, nood.
Zijne deugd en weldaad, nooit begraven,
Wordt beloond uit s Hemels schoot.
Eer en macht verdient Hij in dit leven.
Last de booswicht, dol van spijt,
Dit begrimmen, daar, van haat gedreven,
Hij op Zijne tanden bijt,
Daar Hij kwijnt aan haat en nijd en boosheid,
En vergaat van ongenucht.
Al de wensch en hoop der goddeloosheid
Zal verwelken zonder vrucht.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001