Joost van den Vondel (1587-1679)

CXIIe HARPZANG.

A. 1656

Laudate, pueri, Dominum.

Jonge knapen t valt aan t loven.
Looft den naam van s Hemels Heer,
Almachts naam zij heerlijk boven
Aan gezet in top van eer,
Nu voortaan en t allen tijden
Looft dien naam, van daar het licht
s Morgens komt ter kimme uitrijden,
Tot in t Westen, daar het zwicht
s Avonds, in het nederdalen.
God zit hoog op Zijne troon,
Boven t volk van alle talen,
Boven s Hemels top ten toon,
In Zijn glorierijke glansen.
Waar is ergens Godsgelijk,
Die zich, boven s Hemls transen,
Zette in t licht van t eeuwig rijk,
En benen zich s Hemels ronden,
En den aardkloot zinken ziet?
Hij verheft uit diepe gronden
Hulpeloozen, vol verdriet.
Armen rukt Hij uit moerassen,
Zet hen heerlijk in t gezag
Onder Vorsten, opgewassen
Om te heerschen in den dag
Van gebiedende Overheden,
Daar het volk zich onder boog.
Moeders, laag op t hart getreden,
Welker borst nooit kind en zoog,
Zegent Hij, na haar vermindren,
Met gezonde vrucht op vrucht,
Met een huis vol schoone kindren,
s Vaders blijschap en genucht.  


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001