Joost van den Vondel (1587-1679)

CXIIIe HARPZANG.

A. 1656

In exitu Isral de gypte.

    Toen Jacob uit gypte trok,
Het stamhuis vlood voor woeste tyrannye,
    Werd Juda, vrij van t Heidensch jok,
God toegewijd, en s Hemels heerschappye.
    De roode zee zag, heel vervaard,
Hoe t leger kwam, en week van schrik te rugge,
    En ons Jordaan week achterwaart,
Zijn heer trok door de kil heen zonder brugge.
    De bergen sprongen overal
Van blijschap op, gelijk de dertle rammen.
    De heuvels dansten in hun dal,
Gelijk een kudde en kooi van zatte lammen.
    O zee! wat of u overkwam,
En gij, Jordaan t hoe deist gij ongedwongen?
    Gij, bergen t waarom, als een ram,
Waarom, o rots! gelijk een lam, gesprongen?
    Het is voor God, dat d aarde springt,
Voor t aangezicht van Jacobs God en Vader,
    Die bronnen uit de steenrots klinkt,
Uit klippen klinkt een versche en springende ader.
    Men schrijf, men schrijf het ons niet toe,
Maar Uwen naam, o God! zij d eer gegeven
    Van Uw gen, nooit troostens mo
En waarheid, hij haar eed en woord gebleven;
    Opdat geen heillooze onbesnen
Braveere en roep waar is hun God daar boven?
    Maar God daar boven heerscht alleen,
En werkt, wat Hem behaagt, in t hof der hoven.
    Der onbesnenen Goden zijn
Uit zilver, goud, en louter erts gegoten,
    En kunst van s menschen hand en schijn.
Hun mond, geen mond, is stom, en blijft gesloten.
    Zij hebben oogen, zonder t licht
T aanschouwen. t Oor kan geene stemmen hooren.
    De neus is reukeloos en dicht.
De hand heeft haar gevoelen nooit verloren.
    De voeten laten nergens spoor.
De keel kan geen geluid slaan. Dat God schende
    Wie hen bootseert; wie in het koor
Op hen betrouwt, gelijke hun in t ende!
    Maar Jacobs stamhuis hoopt op God,
Zijn hulp en troost en Schutsheer t allen tijden.
    Het huis van Aren eert dit lot.
Zijn hulp en troost en Scherremheer in lijden.
    Wie God van harte dient en vreest,
Die hoopt op God, zijn hulp en Lijfsbeschermer.
    God docht aan ons ook allermeest,
En zegende ons, gelijk een rijk Ontfermer.
    Hij zegent Jacobs stamhuis me,
En Arons huis, gewijd tot Zijne feesten.
    Hij zegent ze allen, die gedwee
Hem dienen, van den minsten tot den meesten.
    De Godheid zegene u nog meer,
En al uw huis en kroost en jonge knapen!
    Ontvangt den zegen van den Heer,
Die hemel, aarde en water heeft geschapen.
    Der heemlen Hemel is Gods hof,
Hij gaf den mensch het aardrijk te bewaren.
    Geen doodshoofd looft Hem in het stof,
Geen geesten, die ter Helle zijn gevaren;
    Maar wij, zoo lang wij in de lucht
Nog leven, en den vrijen adem halen,
    Vereeren God de dankbre vrucht
Van Zijnen prijs, zoo lang het licht zal stralen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001