Joost van den Vondel (1587-1679)

CXIVe HARPZANG.

A. 1656

Dilexi, quoniam exaudiet.

Ik wil den Heer beminnen,
Dewijl Hij mijn gebed
Verhoort, van s Hemels tinnen,
En met Zijne ooren let
Op mijn gekerm en klagen,
En luistert naar mijn stem;
k Wil, aangevochten, Hem
Aanroepen, al mijn dagen.

De dood laad mij met strikken
Rondom wel nauw bezet,
En s Afgronds list, vol schrikken,
Gevangen in haar net.
Ik riep in ongelukken
En nood: o God! ik kniel
Voor U, verlos mijn ziel
Uit angsten, die mij drukken.

De Godheid is mewaardig,
Verhoort het klachtig bart;
Gelijk Ze straft rechtvaardig,
Verlicht Ze s droeven smart.
Wie klein is en oodmoedig,
Beschut Zij in t gemeen.
Ik hiel me laag en kleen,
En God verlost me spoedig.

Nu rust, mijn ziel! in vrede;
De Heer heeft u bevrijd.
Hij rukte u, op uw bede,
Uit s doods gevaar en strijd.
Hij koomt uw tranen vegen,
Die u in t slibbren hiel;
k Wil Hem, met harte en ziel,
In s levens lacht behagen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001