Joost van den Vondel (1587-1679)

CXVe HARPZANG.

Aļ. 1656

Credidi propter quod locutus sum.

Ik hebbe, uit mijn betrouwen,
Ontdekt met mijnen mond,
Waar ís levens hoop op stond,
Mij slecht en recht gehouwen.
Ik sprak, verrukt van zin:
Al ít menschdom steunt op lagen.
Hier steekt niet zekers in.
Wat aardsch is, wordt bewogen.

Wat zal ik Gode geven?
Hoe Zijn genote deugd
Vergelden? ík Wil met vreugd
Den offerkelk, gedreven
Van ware dankbaarheid,
Aanvaardende, Hem laven,
En voor Zijn Majesteit
Opstijgeren naar boven.

Ik wil den Heer betalen,
Met eene dankbre stem,
Mijne offergaven, Hem
Beloofd in Zijn poortalen
En hutte, voor elks oog.
Der Heilgen dood is waardig
Voor God, die van omhoog
Hun onrecht wreekt rechtvaardig.

Ik ben, o Heer van boven!
Een knecht van Uwen troon,
Uw knecht en dienstmaagds zoon.
Gij braakt, in ít hof der boven,
Toen ik was afgestreÍn.
Mijn handen, kaal belijden,
Uw naam met lof bekleÍn,
En U dankoffer wijden.

Ik wil den Heer betalen,
Met eene dankbre stem,
Mijne offergaven, Hem
Beloofd in Zijn poortalen
En hutte, in ís volks gezicht
God danken, daar Levijten,
Op Sion, Arons plicht
BekleÍn in Gods tapijten.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001