Joost van den Vondel (1587-1679)

CXVIIIe HARPZANG.

A. 1656

Beati immaculati in via.

ALEPH.

Welzalig is de man, die onbesmet
Terwijl hij leeft de baan houdt van Gods wet;
Welzalig oss de man, wiens rein gewisse
God zoekt, zich houdt aan zijn getuigenisse,
Want al wie slimme en kromme gangen gaan,
Verdwalen blind van God en zijne baan.
Gij hebt, o God! belast aan uw vertrouwden,
Uw wetgebon te volgen en te honden.
Och, of ik al mijn treden zetten mocht,
Om Uw gerecht te volgen wel bedocht!
Indien ik t oog wel nauw sloeg op Uwe orden
En regels, k zou dan nimmer schaamrood worden.
De loof U, uit een oprecht hart bekeerd,
Dat ik Uw recht en uitspraak heb geleerd,
En wil dit recht bewaren zonder vlakken.
Hij zult Uw hand niet eeuwig van mij trekken.

BETH.

Hoe hoedt de jeugd zich allerbest, o God!
Voor t glibberen? Zij lette op Uw gebodt
Zoo zocht ik U van harte te gelijken.
Och, laat me niet van Uw geboden wijken!
k Besloot Uw woord en wil in t hart gevat,
Om niet voor U te treden van t rechte pad.
Och! leer me toch, hoe Gij den mensch rechtvaardigt:
Die zegen vloeit op hem, dien Gij t gewaardigt.
Mijn lippen staan niet stil, en zien alleen
U naar den mond, als zij Uw wil verbren.
k Heb lust om Uw getuigenis te vatten,
Uw spoor behaagt mij boven alle schatten.
Ik oefen me in gedurig overleg
Van Uw gebon, en merke op Uwen weg.
Het lust me Uw recht aandachtig af te meten,
En nimmermeer Uw woorden te vergeten.

GIMEL.

Herstel Uw knecht zijn kracht! Verwek zijn ziel,
Dat zij Uw woord beat aart, zou ze ergens viel.
Schuif misverstand van mijn gezicht byzonder,
Dat ik Uw Wet bespiegele in haar wonder.
Ik ben op d aarde een vreemdling vol verdriet;
Onttrek me t licht van uw bevelen niet!
Mijn ziel heeft lust zich zelve, t allen tijden,
Niet n begeerte, aan Uw gebon te wijden.
Gij straft den trotsche. Al wie Uw woord niet zoekt,
En afwijkt van Uw wetten, is vervloekt.
Ontsla mij van den smaad der reukeloozen;
Want ik hebbe Uw getuigenis verkozen.
Der Vorsten raad verbasterde Uwen knecht;
Nog liet hij niet, zich t oefnen in Uw recht:
Hij overwoog de tuigen van Uw bladen,
En zocht zich met Uw wetten te beraden.

DALETH.

Mijn hart hing nog aan aarde en stof gehecht;
Herschep me naar Uw woord, en t Hemelsch recht!
Ik klaagde U mijn vergrijp, Gij hoort mij klagen.
Ontvouw me Uw recht, en leer me Uw oog behagen.
Berecht me van Uw recht en rechte baan,
En oefen me, om Uw wondren te verstaan.
Mijn ziel geraakt in slaap van moeilijkheden.
Bevestig me in Uw lesse en wijze zeden,
Opdat ik t pad van onrecht schuwen mag,
Door Uw genade U natrein uit ontzag.
k Heb waarheids baan voorzichtig uitgekoren,
Uw rechten nooit uit mijn gezicht verloren,
En hing aan Uw getuigenis en ran.
O Heer! laat mij, laat mij niet schaamrood staan.
Toen Gij mijn hart ontsloot, en uit kwaamt zetten,
Liep ik, voor wind, de streek in van Uw wetten.

HE.

Nu schrijf me Uw recht, gelijk een heilwet, voor:
Ik zal doorgaans dat volgen op Uw spoor;
Verleen me geest, dat ik Uw wet grondeere,
En in mijn hart beware, U diene en eere.
Gele me toch op t pad van Uw gebod,
Dat zocht ik met verlangen, o mijn God!
Beweeg mijn hart tot Uw getuigenissen,
Tot goudzucht niet, die God om t goud wil missen,
En sluit mijn oog voor weereldsche ijdelhen.
Leer mij de baan des levens wer betren,
En prent Uw wet in mijn gemoed en zinnen,
Opdat ik U godvruchtig mag beminnen.
Besnoei het kwaad in mij die ongewis
Nog vrees, dewijl Uw juk zoo lieflijk is.
k Heb naar Uw woord en wil alleen verlangen,
Beho me dan hij s levens rechte gangen!

VAU.

Uw heilgen bestrale nu mijn hoofd,
Uit Uwen troon, gelijk Gij hebt beloofd,
Dat ik, wiens hoop op U stond onbezweken,
Den mond stopp, die Uw woorden tegenspreken.
Sluit toch mijn mond niet toe, die overloopt
Van U, en op Uw recht en waarheid hoopt.
Ik zal Uw wet bewaren, overwegen,
Eeuw in, eeuw uit gesterkt door Uwen zegen.
Ik weidde breed, en zonder schrik altoos:
Want ik uit heide Uw woon en wil verkoos.
Ik sprak hiervan voor Koningen en Heeren,
En zwichtte nooit in t voorstaan en verweten.
Ik nam mijn lust in dees bespiegeling
Van Uw gebod, dat mij ter harte ging.
Ik hiel de hand niet lust hier aan, in t werken,
En nam vermaak, op Uw gebon te merken.

ZAIN.

Gedenk, o Heer! Uw dienaar, naar Uw woord,
Dat zijne hoop versterkt, als hij dit hoort,
Dit troostte mij, als ik door druk must streven;
Want Uw belofte en trouw hiel mij bij t leven,
De wreevle leefde alom te snood met mij,
Nog week ik van Uw wet niet op zijn zij.
Ik docht, hoe Gij, van aanbegin, den looste
Betoomen kost, dat mij in droefheid troostte.
k Zag s boozen staat met mededoogen aan,
Die Uwe wet verlaten en versman;
Mijn zanglust prees Uw wet en recht en zeden,
Terwijl ik hier in ballingschap ging treden.
Uw naam stond s nachts in mijn gemoed geplant;
k Bewaarde Uw wet, gelijk een dierbaar pand.
Dit wedervoer mij doorgaans, die Uw wetten
Verkoren had, om nauw hierop te letten.

HETH.

Ik sprak: o Heer! Gij zijt mijn lot en deel;
Dies ik Uw wet beware, als een juweel.
Ik bad voor Uw gezicht uit al mijn harte:
Ontferm U mijns, naar Uw belofte, in smarte!
Ik sloeg mijn pad wel gade, en trad gewin,
En volgde t spoor van Uw getuigenis.
Ik sta bereid (geen ramp zal mij vervaren),
Uw wetten en geboden te bewaren.
De strikken der godloozen op Uw pad
Belagen mij, die nooit Uw wet vergat.
k Ontwaakte s nachts, ik loofde U met Uw knechten,
En overwoog Uw wetten en Uw rechten,
Als een genoot van t heilige geslacht,
Dat op Uw wet en wetgeboden acht.
Al t aardrijk is gepropt van Uw genade.
Leer mij Uw wet en rechten, vroeg en spade!

TETH.

Gij handelt heel genadig met Uw knecht,
Naar Uw belofte en woord. Och, leer me Uw recht,
Genade en tucht en weetenschap aanschouwen!
Ik stelde op Uw geboden mijn betrouwen,
k Verliep me, eer Gij mij strafte en trof zon fel;
Hierom beware ik vierig Uw bevel.
Goedaardige! berecht me toch goedaardig
Van Uw gerecht en wetten, zoo rechtvaardig.
De boosheid der hovaardigen groeit aan;
Dies zoeke ik meer Uw wetten g te slaan.
Hun hart verhardt, als stremsel, zonder zegen,
En ik volharde Uw wetten t overwegen.
t Was oorbaar, dat Gij mij vernerde in smart,
Opdat ik diep Uw rechten plantte in t hart.
Heel oorbaar was t, Uw wet in t hart te schrijven,
Mij waarder, dan veel goude en zilvre schijven.

JOD.

Uw hand bootseerde en schiep mij, als ik ben.
Geef mij verstand, dat ik Uw lessen kenn.
Godvruchtige aard zal t zien, en zich verblijden,
Dewijl ik hoopte op Uw gebed in lijden.
Ik wast, o Gort! hoe vast Uw oordeel gaat.
Gij hebt met recht vernederd mijnen staat.
Laat Uw gen, mij troosten, dus verschoven,
Gelijk Gij mij goedaardig wendt beloven.
Laat Uw gen mij troosten, dat ik leef,
Die hart en zin Uw wetten overgeef.
Verplet den booze, om zijnen snooden wandel
Met mij, die stil naar Uwe wetten handel.
Godvruchtigen, die Uwen wil verstaan,
Bekeeren zich, met mij, op Uwe baan.
Uw Wet en recht mijn hart van smetten vage;
Zoo sta ik niet beschaamd in straffe en plage.

CAPH.

Mijn geest bezwijkt van ijver voor Uw Wet,
Als ik mijn hoop op Uw beloften zet.
Mijn oog bezweek in t uitzien, na lang treuren.
Ik sprak: wanneer zal mij Uw troost gebeuren?
Ik ben gelijk een dik berijpte flesch.
k Verworp nochtans geenssins Uw woord en les.
Hoe lange moet die smaad Uw knecht dus kwellen?
Wanneer zult Gij mijn haters vonnis vellen?
De booze komt met logentroosten voort
En droomen, die niet stemmen met Uw woord.
Uw wetten zijn oprechte en loutre waarheid,
Mijn hater perst me, och, help me in deze waarheid!
Zij maalden mij bijkans tot asch en stof:
Nog scheidde ik niet ven t heilrecht, rijk van lof.
Beho me toch door Uw genade in t leven!
Ik zal Uw wet en wil niet wederstreven.

LAMED.

Uw heilig woord en hemelsch raadsbesluit,
Dat duurt omhoog alle eeuwen in en uit.
Uw waarheid bloeit en duurt van stam in ranken.
Gij bouwde d aarde, en nimmer zat ze wenken.
De dag volhardt in d orde, die Gij stelt.
Het dient U al, en buigt voor Uw geweld.
Had ik me niet gehouden aan Uw leering,
Ik waar misschien vergaan in mijn vernering.
k Wisch nooit Uw recht en vrijspraak uit mijn ziel,
Want t was as Uw recht, dat mij in t leven hiel.
Beho me, ik ben Uw eigen aangeboren,
Die Uwe wet en rechten heb verkoren.
De booswicht nam mij uit zijn laag gewis;
Maar k zag in nood op Uw getuigenis,
En zag het eind, hoe alle dingen scheiden,
Met een, hoe wijd zich Uw gebon verbreiden.

MEM.

Hoe hange ik aan Uw Wet met zulk een min!
Ik spiegel mij den ganschen dag hier in.
Zij leert me kloek met mijnen vijand leven;
Want eeuwig staat ze in mijn gemoed geschreven.
Ik leer hier door mijn leeraars over t hoofd,
En overwege al wat Uw wet belooft.
k Versta ze meer dan oude en grijze haren,
En zocht ze scherp, om eeuwig te bewaren.
Ik wachtte mij van slimme gangen nauw,
En onderhiel Uw woord en wil niet flauw.
Ik week niet van Uw voorgeschreve rechten;
Want Gij die wet gesteld hadt voor Uw knechten.
Hoe lieflijk smaakt Uw wet mij zoo gezond,
Nog zoeter- dan de honig in mijn mond;
k Heb Uw gebon verstaan en aangehangen,
En haatte, o Heer! verkeerde en slimme gangen.

NUN.

Uw woord verstrekt me een fakkel voor mijn tred,
Een helder lucht, waar ik mijn voeten zet;
Dien zwoer ik hoog, en staafde vast, hij eeden,
De heerbaan van Uw rechten te betreden.
Ik ben alom vernerd, van glans beroofd;
Verwek mijn ziel, gelijk Uw mond belooft!
Volbreng in mij, wat ik U heb gezworen,
En leer me t recht, hij U met lust verkoren.
Mijn leven is niet zeker in mijn hand.
k Vergat de wet nooit, die Uw wijsheid plant.
De booze zocht me in strikken t achterhalen;
Nog woude ik van Uw wetten niet verdwalen,
k Bewaarde Uw wetgetuignis, als mijn erf.
Voor eeuwig, dat mijn vreugd was menigwerf.
Mijn hart zocht stag op Uw geboden t achten,
Op hoop van loon, beloofd aan Gods geslachten.

SAMECH.

Ik haat de rot der ongterechtigheid,
En minne Uw Wet uit reden en bescheid.
Gij zijt mijn hulp, mijn toevlucht en betrouwen;
Dies ik mijn hoop wil op Uw woorden bouwen.
Gij boozen! wijkt van mij, opdat ik kloek
Gods wetten en geboden onderzoek.
Bevrij me naar Uw woord, zoo zal ik leven;
Laat mijne hoop mij nimmermeer begeven.
Och! sta me bij, zoo rake ik uit elend.
k Zal Uw gerecht bespieglen zonder end.
Gij acht ze niet, die van Uw wet aftreden,
Dewijl ze staan op ongerechtigheden.
k Hiel al t geslacht der menschen voor besmet;
Dies minde ik slechts den inhoud van Uw wet.
Bedwing mijn lust door vrees; want voor het lezen
Van Uw gerecht staat mij Uw straf te vreezen.

HAIN.

k Heb recht en vroom gehandeld, lever mij
Niet over aan mijn lastrende partij!
Omhels me uit gunst. Laat trotschen, die verbastren
Van deugden, zich ontzien mijn naam te lastren.
Mijn oog is blind aan uitzien naar Uw trouw
En heilrijk recht, dat mij beschutten zou.
Nu handel met Uw knecht naar Uw genade!
Toon, hoe ik best mij niet Uw recht berade.
Ik ben Uw knecht; verleen me dan verstand,
Opdat ik Uw getuignis in mij plant.
t Is tijd, o Heer! de booshen uit te rooyen,
Die Uwe wet verminken of verstrooyen.
Ik minde Uw last nog meer dan louter goud.
Of als topaas, dus hier zijn verf af houdt
Dien regelde ik mij stip naar alle Uw wetten,
En heette al wie hun tren naar onrecht zetten.

PHE.

Uw wetten zijn te wonderbaar verknocht;
Dien mijne ziel haar grondig onderzocht.
t Verlichten van Uw woord verlicht mijn zinnen,
En geeft verstand die nedrigheid beminnen.
Ik opende mijn mond, ontving Uw lucht
In mijn gemoed, dat naar Uw rechten zucht.
Aanschouw me toch, en wil mij niet verstooten,
Ontmoet me, als een van Uwe wetgenooten!
Bestier mijn gang naam Uwe woorden vrij.
Geen onrecht druk mij met zijn heerschappij.
Beschut me voor t vergift der lastertongen,
Dat ik Uw last mag volgen ongedwongen.
Uw aanschijn strale en lichte Uw dienaar toe.
Berecht me klaar, dat ik Uw recht bevro.
Ik schreye met mijne oogen heele beken
Van tranen, als de booze Uw wetten breken.

TSADE.

Gij zij t, o Heer! rechtvaardig, recht en slecht.
Uw oordeel is rechtmatig, regelrecht
Gij toont ons Uw getuignis in de klaarheid
Van t heilzaam recht, een loutre en zuivre waarheid.
Ik heb gekwijnd, van ijver moede en mat,
Dewijl hij, die mij haat, Uw wet vergat.
Uw woord is gloed en vier, wiens kracht gebleken
Uw dienaars hart in liefde kon ontsteken.
Ik ben veracht, en jong van mijnen tijd:
k Vergeet nochtans Uw recht niet in mijn strijd.
Uw recht blijft recht, alle eeuwen in zijn luister;
Een waarheid, nooit in haar nature duister.
Hoewel mij druk en tegenspoed beving,
Nog was Uw wet al mijn bespiegeling
De billijkheid blijft door Uw wet gesteven.
Verlicht mijn geest, opdat mijn ziel mag leven!

COPH.

Ik riep luids keels: verhoor me toch, o Heer!
k Zal Uw gebon doorgronden meer en meer.
Ik riep: beho me! ik aal Uw wijze wetten
Bewaren, en op haren grondslag letten.
Ik riep: o God! verwek me vroeg, kom voort!
Dewijl mijn hoop een trek had naar Uw woord.
Ik waakte vroeg, eer t licht was opgestegen,
Om Uw gebon aandachtig t overwegen.
Verhoor mijn stem, naar Uw bermhartigheid!
Herschep me, als mij Uw mond heeft toegezed.
Der boozen rot kwam mij met macht bezetten,
Maar bleven ooii terugge van Uw wetten.
Gij rust, o God! van mij niet verre en wijd.
Uw heerbaan is de waarheid t aller tijd.
k Zag in t begin Uw rechten in met kennis,
Dat ze eeuwig staan gegrondvest, vrij voor schennis.

RESCH.

Aanschouw mijn druk, en ruk me uit s vijanda net;
Want k heb Uw wil nooit uit den zin gezet.
Verlos me, en recht mijn zaak, in deze schrikken,
Naar Uw belofte, en help mijn hart verkwikken.
Uw heil is wijd te zoeken bij de kwan,
Die, schuw van recht, in recht noch reden staan.
Uw gunst ma groot; beho, door gunst gedreven,
Mij naar Uw woord en wetten bij het leven!
Veel haters mij aanranden te gelijk,
Die, om geen druk, van Uw getuignis wijk.
Ik kwijnde, toen zich velen kwalijk droegen,
En Uwe wet uit hunne zinnen sloegen.
Zie neder, want ik minne Uw wet alleen.
Verkwik mijn ziel naar Uw bermhartighen!
Uw woord komt uit de bron der waarheid spruiten.
Geen eeuw noch tijd Uw billijk recht kan stuiten.

SCHIN.

Toen Vorsten mij vervolgden zonder schuld,
Betoomde Uw woord mijn hart in ongeduld.
Uw woord zal mij verheugen en verrijken.
Als een, wien t beurt, een grooten buit te strijken.
k Verworpe en hate alle ongerrchtighen,
En min de wet van Uwe Majesteit.
k Heb zevenmaal des daags Uw naam geprezen,
Om Uw gerecht en wet, zou uitgelezen.
De minnaar van Uw wet leeft bang in pels,
Bevrijd van schande en oneer, reis op reis.
k Verwachtte Uw heil met Uwe heilgenooten,
En minde Uw wet, in mijn gemoed besloten.
Mijn hart bewaarde Uw wetgetuigenis,
Die mij zoo lief en overwaardig is.
Ik hiel Uw woord en wetten onbewogen,
En wandelde gestadig voor Uwe oogen.

TAU.

Mijn bede stijge, o God! voor Uwen troon.
Geef mij verstand naar t woord, mij aangebon.
Mijn smeeken moet voor U ten Hemel varen.
Verlos me naar Uw woord uit dit bezwaren.
Als Gij mij leert het recht van Uw verbond,
Dan vloeit van vreugd een lofzang uit mijn mond.
Mijn tonge zal Uw heilig woord verbreeden,
Want Uw gebon bestaan in recht en reden.
Dat Uwe hand mij hoede voor altoos,
Dewijl ik Uw bevel en wet verkoos.
Ik zocht Uw heil, en ging met ijver dringen
In Uwe wet, met mijn bespiegelingen.
Mijn hart verkwikt, en looft U stadig aan.
Uw oordeel zal mij helpen Op Uw baan.
Ik liep verdwaald, gele Uw schaap in nooden,
Uw knecht, die nooit verwaarloosde Uw geboden!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001