Joost van den Vondel (1587-1679)

CXIXe HARPZANG.

Aļ. 1656

Ad Dominum cum trabnlarer.

    Als ik benepen was
    Van droef hemd, riep ik ras
Om hulp naar God, gestadig,
    Die mij uit dien gerusten schoot
Des Hemels hoorde, en zoo genadig
    Verloste in nood.

    Ik riepí Ąbevrij me toch
    Voor ít onrecht en bedrog
Der smettelijke monden!Ē
    Wat artsenij wat heelzaam kruid
Geneest de tong, die dí eer kan wonden,
    En ít goed misduidt?

    Zij kwetst van verre, juist
    Als pijlen, met de vuist
Van eenen reus geschoten.
    Zij avondt het hart, waarop zij mikt,
Zoo snel, als bliksem steile sloten
    Verbrandt en schrikt.

    Och ít dat ik langer hier,
    Met wilden Arabier
En IsmaŽl, moet wrijten
    In Kedar, en in tenten bang
En drukkig al mijn leven slijten.
    Wat valt dit lang!

    Ik, altijd vreÍgezind,
    Most omgaan onbemind
Met hun, die vrede vloeken;
    Sprak ik van peis voor ít algemeen,
Zij troffen mij uit alle hoeken,
    En zonder reÍn.

 


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001