Joost van den Vondel (1587-1679)

CXXe HARPZANG.

A. 1656

Levavi oculos meos.

k Hef mijne oogen naar de duinen;
Van omhoog
Koomt mijn noodhulp uit haar kruinen
Uit Gods boog
Koomt mijn noodhulp van d Alwaarde,
Die nooit sliep,
Hemel, lucht, en zee, en aarde
Bouwde en schiep.
Dat is recht: Hij stiere uw treden,
Dat te niet
Struikelen; Hij hoede uw schreden
In verdriet
Die u hoedt, blijve om u waken.
D Oppermacht,
Die voor Jacobs huis en daken
Houdt de wacht,
Zal niet sluimereu, noch slapen;
God bevrijdt,
God verdedigt u rechtschapen.
Vrees geen strijd!
Zijne hand bedekt u blijde
Op het vlak.
Geene zon, bij middagtijde,
Daar geen dak
U beschaduwt, zal u steken;
Geene maan
s Naclits u zien van ko bezweken,
En vergaan.
Gort behoede u voor gevaren,
Hoede uw ziel!
God wil uwen gang bewaren,
Hoe t geviel;
t Zij gij ingaat of naar buiten,
Van nu aan,
Tot daar d eeuwen nimmer stuiten
Op haar baan.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001