Joost van den Vondel (1587-1679)

CXXIe HARPZANG.

A. 1656

Ltatus sum in his, qn.

O, wat is t een vreugd te hooren,
Daar k bid,
Smeek, en zit
Vast geboeid door Babels tooren;
Wetgenooten, op! welaan,
Laat ons naar Gods tempel gaan!

O Jeruzalem! ons voeten
Zullen staan
Onbelan,
Nadat we onze misdaad boeten,
Op den drempel van Gods huis,
Voor uw Godskoor, vrij van kruis.

O, Jeruzalem! uw muren
Worden wer,
Tot Gods eer,
Opgebouwd om lang te duren,
Tot een stad, het rijksjuweel,
Aller stammen erf en deel.

Jacobs stamhuis, dat lang herwaart
Kwam, verstrooid
En berooid,
Klimt nu vrolijk weder derwaart,
Naar de wet van Isral,
God ten prijze, op Gods bevel:

Went daar staan de rechterstoelen,
Daar t gerecht
Twist beslecht,
En de rijkskrakeelen woelen.
Davids troon, de mond van t Rijk,
Stelt hier t ongelijk gelijk.

Wenscht Jeruzalem den vrede,
Overvloed,
Heil en spoed,
En den hoogsten zegen mede
Aan een ieder, die haar eert
En bemint, als God begeert.

Vrede, vrede, o uitverkoornen
Wenschen wij,
Overblij,
Uwe poorten, uwe toornen,
Overvloed en weelde en schat
Aan het hof en Davids stad,

Om mijn broeders en geuooten,
Wensch ik vre
Deze ste,
Van Gods zegen overgoten.
Om Gods tempel vloei, van nu
Af, Gods rijkdom over u!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001