Joost van den Vondel (1587-1679)

CXXIIIe HARPZANG.

A. 1656

Nisi quia Dominus erat.

Nu volge Jacobs huis mijn toon:
Had God geen hand gebon,
En ons gehandhaafd uit Zijn troon,
Had God geen band gebon,
En ons gehandhaafd uit Zijn troon,
Toen ons de menschen overvielen,
Zij hadden levendig,
Ook zonder Gods ontzig,
Verslonden lichamen en zielen;

Toen hunne gramschap, als een gloed,
Zich tegen ons ontstak,
Zij hadden licht en met gemak
Ons ingeslikt verwoed,
Gelijk een storm en watervloed.
Ons zal most door een stroom heenstreven;
Ons ziel mos door een stroom
Schier zonder grond en boem,
Met groot gevaar van lijf en leven.

Looft God, die ons, ter nood ontwipt,
Niet gaf aan s haters tand.
Ons ziel is veilig zijne hand,
Gelijk een musch, ontglipt,
Des jagers net en strik ontslipt,
En wij verlost. Ons hulp en wapen
Bestaat in Gode alleen,
Die Hemel, aarde, en zen,
En al de wereld heeft geschapen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001