Joost van den Vondel (1587-1679)

CXXLIVe HARPZANG.

A. 1656

Qui confidunt in Domino.

Wie vast en sterk op God betrouwt,
En, als Gods knecht,
Zijn burgerrecht
In Gods Jeruzalem behoudt,
Staat vast en pal, Als Sions rots,
D oneindigheid des tijds ten trots.

Jeruzalem is om en om
Belegerd van
Het berggespan;
En God, het hoofd van t Engelsdom,
Legt om Zijn volk in t rond gespreid,
Van nu af tot in eeuwigheid.

Hij laat den schepter van den haat,
Noch s boozen macht,
Het vroom geslacht
Niet drukken, zonder toeverlaat,
 Opdat het niet tot boosheid sla,
En eindelijk verloren ga.

Bejegen, Heer liet oprecht hart
Der vromen zacht.
Wie van zijn wacht
En plicht wijkt, om gelede smart,
Wil God verdelgen met de kwan.
Gods erfdeel zal in vree bestaan.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001