Joost van den Vondel (1587-1679)

CXXVe HARPZANG.

A. 1656

In convertendo Dominus captivitatem.

In t ommezwaayen van d elende
Des kerkers, onder onbekende
En wreede en wrevele Chalden,
Daar wij een rij van jaren zaten,
En droegen t juk van die ons haten,
Was t hoogtijd onder ons Hebren.

Elk riep: nu lacht Vrij, dat het schater
Tot aan d Eufraat en over t water,
Dat ons de ketens slepen zag.
Hoe ging de mond van oude en jongen!
Hoe danste blijschap op de tongen!
Wat was ons dit een blijde dag!

De heiden stak, aan andere oorden,
Met alle volken, die dit hoorden,
Aldlls zult keel op. ring bij ring:
Gewis, de Vader der Hebreeuwen
Heeft eindelijk verhoord het ~cbrceuwen Des zoons, verdrukt van Babels kling;

Hij heeft verheerlijkt dien v~rkoren,
En eenigeu en oudstgeboren.
Zoo deed Hij zeker. Deze deugd
En weldaad heeft he~ God geschonken,
Daar hij in d ijzers lag geklonken. God zelf is d oorzaak vau zijn vreugd.

Hij slak~ t overschot der luiden
Met kracht, gelijk de wind van t Zuiden Den boezem van de beken vult,
Met water oppropt, dat ze stroomen,
En loopen over kant en zoomen.
Aldus ontboei Hij s volks geduld.

Keert wer, nu God u ,t pad komt banen,
Naar Sion Schroomt niet zaad van tranen In d oude kampen2, lang verwoest,
Geduldig op een ni3uw te zaayen:
Van t zaad der tranen zult gij maayen E.n oogst van ~reugd, een gouden oegst.

,t Valt hard, t is waar, zoo lang te beyen,
Met tranen t veld~te gaan bespreyen~ Op hoop van die gezegende uur;
Maar we~st getroost, uw wensch te derven:
Gij zult, na t keeren, uwe gerven
M~t winst opleggen in de schuur.

 


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001