Joost van den Vondel (1587-1679)

CXXVIe HARPZANG.

Aļ. 1656

Nisi Dominus śdificaverit domum.

ít Is al vergeefs den bouw betracht,
Zoo God het huis niet bouwt;
ít Is al vergeefs gewaakt hij nacht,
Zoo God de stad niet houdt,
En waakt, en zelf op schildwacht staat.
Wat baat het, dat gij rijst,
In ít krieken van den dageraad?
Gij, die uw honger spijst
Met kost en nooddruft, al te zuur
Gewonnen, nat bezweet,
Gaat rusten, en verpoost natuur;
Dan rijst, en houdt u reed
Om tí arrebeiden; want Gods troon
Zijn vrienden rust bestelt.
Des lichaams vruchten, ís moeders kroon,
De zonen, die men telt
En rekent onder ít errefpand
Des Heeren, zijn gelijk
De pijlen, van een schuttershand
Gelost, tot heil van ít rijk.
Hoe zegenrijk is zulk een man,
Die zijnen wensch beleeft
Aan manbare afkomst; schoon hem dan
Zijn vijand wederstreeft,
En dagvaardt in het poortgericht;
Hij zwicht niet; want hij wordt
Verdadigd door der zonen plicht,
En niet in recht verkort.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001