Joost van den Vondel (1587-1679)

CXXVIIe HARPZANG.

A. 1656

Beati omnes, qui timent Dominum.

Welzalig is t geslacht,
Dat God vreest, en gestadig
Op s Hemels wetspoor acht.
De Godheid zal genadig
U door uw handwerk von,
Geen rampspoed u bejeegnen.
Hij zal, met overvlon,
Uw werk en handel zeegnen.

Uw huisvrouw zal, gelijk
Een vruchtbre wijngaard. bloeyen,
Die aan den muur zich rijk
In top spreidt onder t groeyen.
Uw kinders, frisch en schoon,
Staan om uw disch, gesloten
Als eene tafelkroon,
Gelijk olijfbooms loten.

Zoo begenadigt God
Godvruchtigen en vromen;
Hij wil, uit Sions slot
En koor, u overstroomen
Met vollen overvloed,
Opdat gij, al uw leven,
Jeruzalem door spoed
En, rijkdom ziet verheven.

Dat gij kindskinders meugt
Met lust en vreugd aanschouwen,
En t stamhuis zien verheugd
In vree den akker bouwen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001