Joost van den Vondel (1587-1679)

CXXVIIIe HARPZANG.

A. 1656

Saepe expugnaverunt.

Dat Jacobs bloed,
Van God behoed,
Nu zegge, als nooit gedwongen:
Mijn vijands staal
Heeft menigmaal,
Van jongs op, mij besprongen:

Hij hiel me straf,
Van kindsbeen af,
En kon me nooit vertreden.
Hij, wreed en stug,
Gebruikt mijn rug,
Als t ambeeld, om te smeden.

Hij ging zijn gang
Veel jaren lang.
D Aartsrechter, mijn betrouwen,
Zal, lang gedaagd,
Eens, die mij plaagt
En vloekt, het hoofd afhouwen.

Hij wil den raad,
Die Sion haat,
En niet ontziet te plagen,
In aller haast
En ijl, verbaasd,
Verstrooid, ten velde uitjagen.

Men zie ze ras
Vergaan, als gras
Op t dak, dat, van geen menschen
Noch vee gedrukt,
Eer t wordt geplukt,
Verdort en moet verslensen.

Als gras op wand
En munr geen hand
Des maayers kan stoffeeren;
Noch die op t veld
De gerven telt,
Den schoot vult voor zijn heeren;

Dat niet een woord
Van zegen hoort,
Noch, die voorbij gaan, spreken
God zegene U,
God zeegne u nu,
In Gods naam onbezweken!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001