Joost van den Vondel (1587-1679)

CXXIXe HARPZANG.

A. 1656

De profundis clamavi.

O Heer om noodhulp riep
Ik U uit afgronds diep.
O Heer! aanhoor ons schreyen,
En luister toch, en let
Met aandacht op t gebed,
Waardoor wij hulp verbeyen.

Wilt Gij ten oordeel gaan
Op tgeen hier werd misdan
Wie kan zijn zaak verweren?
Maar Gij verzoent de smet
Door Uw genadewet;
Geen misdaad kan mij deeren.

Mijn ziel betrouwde op t woord
Van God, die mij verhoort;
Mijn ziel beval haar zorgen
Aan God. Al Gods geslacht
Betrouwt zich op Zijn wacht,
Tot s nachts toe, van den morgen;

Want bij Zijn Majesteit
Vindt elk berinhartigheid,
En rijkdom van genade;
Hij strekt der stammen zoen,
Hij rekent geen misdoen,
En draagt hun schuld en schade.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001