Joost van den Vondel (1587-1679)

De CXXXe HARPZANG.

Aº. 1656

Domine, non est exaltatum

Myn hart is niet vermeeten
Van hoovaerdy bezeten.
Geen trotsheyt, noo gestuit,
Ziet my ten oogen uit.
Mijn wandel was, als dwazen,
Noit trots en opgeblazen,
Noch ’k roemde, al t’onbedocht,
Het geen ick niet vermoght.
Heb ickme uit trotsheit, sedert
Mijn boete, niet vernedert,
En, als een kint gespeent
Van ’s moeders borst, verkleent;
Zoo blijf mijn ziel, bezweecken
In druck, van u versteecken.
Dat Jakobs vroom geslacht
Godts hulp en troost verwacht’,
Die, nu en t’allen tijden,
Zijn stammen zal verblijden.