Joost van den Vondel (1587-1679)

CXXXIe HARPZANG.

A. 1656

Memento, Domine, David.

Gedenk, o God! aan David, hoe zachtzinnig
Hij, jaren lang vervolgd, zoo fel en vinnig,
Zich zelven, vrij van alle wrake en schuld,
Zoo stil droeg met geduld.
Uit dezen aard heeft hij, zoo lang te voren,
Met eenen eed beloofd, en dier gezworen
Aan Jacobs God, den Heer van t erfverbond,
En sprak dit met zijn mond:
De schaduw van mijn huis zal mij niet dekken;
Ik zal op t bed mijn beenen niet uitstrekken;
Geen vaak beschiet mijn oog, noch k val gerust
In slaap, naar mijnen lust;
Tenzij ik eerst geniete, op mijne bede,
Een rustplaats voor Gods bondkiste, eene stede
Voor Jacobs God, een heerlijk koortapijt,
De Godheid toegewijd.
Wij hebben nog, van mond tot mond, onthouwen,
Hoe eer Gods kist in Eframs landouwen
Gerust stond, en wij vonden haar voortaan
In bosch en velden staan.
Wij zullen, daar zij rust, met ons Levijten
Opklimmen, en haar onder Gods tapijten
Aanbidden, als Gods eige voetschabel,
Ontslagen van gekwel.
Waak op, o Heer! trek op, na ons verdrieten,
Daar Gij in t einde Uw rust eens moogt genieten
Op Uwen troon, bevrucht van heiligdom,
Dat lange zworf alom.
Gerechtigheid bekleede Uw priesterschappen,
Laat Uw gewijde al juichende opwaart stappen.
Keer Uw gezicht, om Davids wil, niet straf
Van Uw gezalfden af,
De Godheid zwoer het David dus met eeden;
De Godheid zal die nimmer overtreden:
Ik zwere uw bloed en afkomste, uwen zoon,
Te zetten op uw troon.
Indien uw zoons slechts Mijn verbond bewaren
En wetten, die Ik hen zal openbaren,
Hunne afkomst houdt uw stoel, eeuw in, eeuw uit,
Van stam tot telg en spruit;
Want d Oppermacht heeft Sion uitgekoren,
Gekoren tot zijn troon. Hij laat zich hooren:
Dit is en blijft Mijn rustplaats voor altoos,
Dewijl Ik dees verkoos.
Ik zal die wer verrijken met Mijn zegen,
Met weit verzan, wat arm is en verlegen.
k Zal priesters en gewijden heilig klen.
Zij stappen juichend heen.
Hier zal Mijn macht verheffen Davids horen.
Ik hebbe een licht ontsteken, en verkoren
Voor Mijn gezalfde, om voor zijn aangezicht
Te schijnen met zijn licht,
Ik zal alom zijn haters, hoe ze ook razen,
Beschamen en verbijstren en verbazen.
De Heiligheid zal bloeyen in zijn kroon,
Vol glans en luister schoon.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001