Joost van den Vondel (1587-1679)

CXXXIIe HARPZANG.

Aļ. 1656

Ecce quam bonum, et quam jucundum.

    Ai zie, hoe zoet en lieflijk is ít,
Dat broeders dus eendrachtig
    Te zamen wonen zonder twist;
Dat leven riekt warachtig
    Gelijk de geur, die ít hart verblijdt,
Wanneer dí Aartspriester wordt gewijd;
    Gelijk de balsem, die, op ít hoofd
Van Aron uitgegoten,
    Den allereÍlsten geur verdooft,
En, in zijn baard gevloten,
    Omhoog den zoom des kleeds besproeit,
En lieflijk riekt, zoo lang die vloeit.
    Zoo koomt de dauw van Hermon neÍr
Op Sion ís morgens vloeyen;
    En om deze eendracht wil de Heer
Des zegens hen besproeyen,
Met Zijnen zegenrijken geest,
    En ít leven, dat geen sterven vreest


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001