Joost van den Vondel (1587-1679)

CXXXIVe HARPZANG.

A. 1656

Laudate nomen Domini.

Gij, wachters van Gods heiligdom en drempel,
Verheft des hoogsten naam en lof!
Gij, die den dienst van t hemelsch hof
Zijt toegewijd, looft God in Zijnen tempel!
Gij, Godgewijden altemaal,
Gesteld in t heilige poortaal,
Ter eere van den Heer daarboven,
Volhardt getrouw in Hem te loven.

Zijn goedheid geeft u stof, om aan te vangen,
Te zingen op de schelle faam
Van Zijnen liefelijken naam.
De Godheid koos met hartelijk verlangen
Den vader Jacob, Izaks spruit,
En Jacobs zes paar stammen uit,
Gewettigd door Zijn gunst te zamen
Tot s Hemels wettige erfgenamen.

Wij non u tot dien lof; want wij bevonden,
Hoe groot en heerelijk gewis
Dees groote God der Goden is,
Ook boven al de Gon, die lager stonden.
Deze Almacht werkt al stil,
Beschikt al wat Ze wil,
In Hemel, aarde, op zee en baren,
Die hooger dan de wolken varen.
 
De wolken trekt Hij op, van t eind der aarde,
Wanneer de hemel snel betrekt,
Het zwerk de searren schichtig dekt,
Dat regenvlaag en donderslagen baarde,
En bliksemen en wederlicht:
Een ieder vierstraal schijnt een schicht.
Hij haalt den wind uit duistre hoeken,
Een schat, te diep om t onderzoeken.

Hij sloeg rondom den Nijl den eerstgeboren,
En trof al teffens mensch en vee.
gypte zag, van ste tot ste,
Gods wonderdan en teekens van te voren,
Toen Hij de tulbantkroon en hof
En hofgezin van Faro trof.
Hij trof de volken op de velden,
En koningen en dappre helden.

Zijn lappre hand trof Sehon en zijn wijken,
Den koning over d Amoren,
En Og, in Basan en zijn sten
Gekroond. Hij trof de dertig koninkrijken
In Kanan, en deelde ze uit
Tot Jacobs errefdeel en buit.
Hij schonk hun erf, in Zijn vergrammen,
Aan d uitgeleze zespaar stammen.

O Heer! Uw naam zal d eeuwen zelfs verduren,
Uw naams gedachtenis bestaan,
Van stam tot stam, en niet vergaan;
Want Gij Uw volk verdadigt t aller uren,
En wreekt door Uw rechtvaardig recht.
Wanneer Uw bondgenoot en knecht
U aanroept, dan bedaart Uw tooren;
Dan laat Ge U weder zien en hooren.

De beelden, op t altaar der onbesneden,
Zijn goud en zilver, altemaal
Met kunst gegoten uit metaal.
De mond is stom. Het brein gebruikt geen reden.
Het oog ontbeert gezicht.
Het oor is doof en dicht.
De mond en leden, hun gegeven,
Zijn dood, en zonder geest en leven.

Dat ze altemaal, die deze Goden goten,
En zich betrouwen op dees stof,
Vergaan, verdwijnen zonder lof.
Gij stammen, looft den Heer! Gij, amptgenooten
Van Aron, looft dien grooten Heer!
Levieten, geeft Hem prijs en eer!
Godvruchtigen! houdt aan in t eeren
Van dezen God, den Heer der Heeren.
De Godheid, die op Sion woont,
Te Salem zij met lof gekroond!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001