Joost van den Vondel (1587-1679)

CXXXVIIIe HARPZANG.

A. 1656

Domine, probasti me.

Gij hebt me door- en weder doorgekeken;
O Hartekenner! Gij
Beproefde en kende mij,
En al mijn werk, en deugden, en gebreken;
Hetzij ik zitte of sta,
Of rijs, Gij slaat het g.
Gij wist, eer ik, t geheim van mijn gedachten,
En al mijn overleg,
Gepeinzen, spoor, en weg.
Gij schoert, eer ik, de lijn van mijn betrachten,
En errefdeel en lot,
Mij toegeschikt van God.
Gij zaagt, eer ik, mijn opzet, wil, en wandel,
Beluistert scherp, en hoort
Mijn spraak, van woord tot woord.
O alziende oog! Gij kende al mijnen handel
En woorden achtereen,
Het aanstaande en t verlen.
Gij wist met kunst mijn leden te bootseeren,
Zoo net, dat mijn vernuft
Voor zulk een werkstuk suft.
O wonderwerk en wetenschap des Heeren!
Te stomp is mijn begrijp,
Hoe ik mijn zinnen slijp.
Waar zal ik voor Uw geest en aanschijn vluchten?
Al klom ik in den trans
Des Hemels, rijk van glans,
Men vindt er God, voor wien het al moet duchten;
Al daalde ik om t gevaar
Ten afgrond, God is daar.
Al leende ik van den dageraad zijn wieken,
En vloog er snellijk me
In t Westeind van de zee,
Van daar in t Oost de dag begint te krieken;
Uw hand zou uit de lucht
Mij grijpen in de vlucht.
Al zeide ik schoon: de duisternissen mogen
Mij strekken een gordijn;
Die nacht is zonneschijn;
Mijn wellust wordt gezien van alziende oogen:
De duistre nacht is licht
En dag voor Gods gezicht.
De nacht en dag zijn even klaar daar boven.
Gij hebt mijn hart geteeld,
Waarin het leven speelt,
En wist mijn nier in moeders lijf te stoven,
Terwijl ze zwanger ging,
Nadat ze een vrucht ontving.
Ik zal, verbaasd door Uw grootdadigheden,
Dan roemen op Uw macht,
Uit alle mijne kracht.
Mijn ziel, belust Uw wondren te verbreeden
En wonderwerken, groeit
In kennisse onvermoeid.
Gij telt en kent mijn grootste en kleinste beenen
t Geraamt, naar zijnen eisch,
Van U met vel en vleisch
In moeders lijf bekleed, van top tot teenen;
t Gebruik der len, zoo rijk
Gebootst in t heimelijk.
Uw wijsheid zag t bootseeren van mijn leden,
Het zaad, de ruwe stof,
Nog ongeschikt en grof;
Want in den boek van Uwe alwetendheden
Daar staat de schets van al,
Wat namaals worden zal.
Allengs bereikt het schepsel zijn volmaaktheid,
Zoodat dit in het end
Gelijkt Uw schets en prent.
Hoe kleedt Ge, o Heer! zoo heerelijk de naaktheid
Van Uwen trouwen vriend!
Hoe eert Ge, die U dient!
Hoe zegent en bevestigt Gij hun tronen!
Eer telde ik al het zand
Op oever en op strand,
Dan hen, en al die in hun palen wonen.
Hoe blijde ontwaak ik nu,
En hang mijn hart aan U!
Vertrekt van mij, gij woedende tyrannen!
Vertrekt terstond van mij;
Is s Hemels heerschappij
Dus tegens U rechtvaardig ingespannen,
Naardien ge uw zwaard verwoed
En handen vent in bloed;
Naardien gij spreekt al stil in uw gepeinzen:
Nu deelt Gods steden uit,
Als roof en vrijen buit;
Wij mogen voor een poos terugge deinzen,
Maar zullen hen verstoord
Haast jagen uit de poort.
Heb ik, o Heer! Uw vijanden en haters
Niet hartelijk gehaat,
En om t bedreven kwaad
Van dit gebroed, dees snoode Godverlaters,
Getreurd, en, levens mo,
Gekwijnd tot stervens toe?
Mijn ziel had lust te von die zoete wrokken
Uit al mijn hart en macht;
Dit goddeloos geslacht,
Dat zoo veel kwaads kan stoken en berokken,
En ik te vijand hiel,
Vervloekte mijne ziel.
O Schepper! toets al mijn genegenheden,
En ondervraag me vrij,
En spoor eens na, of wij
Van t rechte spoor des heils zijn afgetreden,
En le ons, uit elend,
In t leven zonder end!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001