Joost van den Vondel (1587-1679)

CXLIe HARPZANG.

A. 1656

Voce mea ad Dominum clamavi.

Ik riep luidkeels naar boven
De Godheid aan. k Verbad
Met mijne stem, van roepen mat,
Het Hof van alle hoven.
Ik stort mijn bede voor Gods troon,
En melde Hem al mijnen druk,
En ramp en ongeluk,
Werwaardighen en hoon;

Toen, s levens kracht bezweken,
De geest mij schier begaf;
Gij kende, van den aanvang af,
Mijn wandel. s Vijands treken
Belaagden mij, op deze baan,
In t heimelijk met strikken, daar
Ik, midden door t gevaar,
Gerust en stil kwam gaan.

Ik zag ter rechte zijde
Hierna om bijstand uit,
En zag niet een, dis t onheil stuit,
Niet een, die mij bevrijde,
Niet een bekende, en vond in nood
Geen noodhulp, die mij helpt en redt,
Mijn bange ziel ontzet,
Van toeverlaat ontbloot.

Toen zette ik het op schreyen,
Op roepen aan tot God,
En sprak: Gij zijt mijn hoop, mijn lot,
En zult me in t leven leyen.
Verhoor mijn be dus laag vernerd.
Verlos me uit mijn vervolgers hand,
Die trotsch in dezen stand
Mij uitdaagt en braveert.

Gele mijn ziel, alom besloten,
Uit s vijands klauwe en macht,
Dat ik Uw naam en groote kracht
Verheff bij mijn genooten.
Rechtvaardigen verlangen, Heer!
Dat Uw getrouwe Majesteit
Mijn simple onnoozelheid
Eens kroon met prijs en eer.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001