Joost van den Vondel (1587-1679)

CXLIIIe HARPZANG.

A. 1656

Benedictus Dominus Deus meus.

Nu met een lofzang God geerd,
Die mijne handen strijden leert,
Mijn vingers oorelogen.
Handhaver, hulp in t aardsch gewoel,
Mijn toevlucht en genadestoel,
Beschutter uit den hoogen!
Ik hope op U, getroost en blij,
Die t volk mijn stoel en heerschappij
Heet eeren, dus oodmoedig.
Wat is de mensch, dat Gij, o Heer!
Van hem gekend wilt zijn met eer,
En hem omhelst zoo goedig!

Wat is de mensch, of zijn geslacht,
Dat Gij hem dus Godwaardig acht,
Die schijn en ijdelheden
Gelijk is, en wieos dag, die schijnt,
Gelijk een schaduw, haast verdwijnt!
O Godheid! daal beneden
Uit Uwen hemel, Uwe baan.
Daal neder tast de bergen aan
En rotsen, dat ze rooken.
Berst uit met vier en wederlicht;
Verstrooi, beschiet ze niet Uw schicht,
Verstoor ze in assche en smoken.

Reik mij Uw hand van boven toe,
Verlos me in waternood, nu mo
Van roepen en van kermen.
Verlos me van t uitheemsch verbond,
Beachut me voor hun lastermond,
En onrechtvaardige armen;
Dan zal ik, met een nieuw gedicht
En op tien snaren, Godverplicht,
Met zang en spel U loven,
Die koningen in t veld bewaart,
Uw knecht bevrijdt voor t reuzezwaard.
Verlos me, en zie van boven!

Bevrij me voor t uitheemsch verbond!
Beschut me voor den lastermond,
En voor der boozen armen!
Hun zonen bloeyen in het land,
Een ieder als een jonge plant,
Als t licht haar komt verwarmen.
Hun dochters blozen overschoon,
En prijken in hun pracht ten toon,
Als blinkende tapijten.
Hun volle kelders geven geur,
Gepropt van vruchten, deur en deur;
Met vrucht zij t leven slijten.

Hun schapen, na en in de he,
Zijn talrijk, drachthaar, zat van we;
Hun vette runders blaten.
De tuinmuur zwicht voor geen geweld,
Staat ongescheurd en dicht in t veld,
Geen oproer steurt hun straten,
Gelukkig, zeggen ze, is de staat,
En t volk, dat, rijk en zonder maat,
Dit goed niet kan verliezen;
Doch ongelijker is hun lot
Gelukkiger, die onzen God
Tot hunnen Koning kiezen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001