Joost van den Vondel (1587-1679)

CXLIVe HARPZANG.

Aº. 1656

Exaltabo te, Deus, meus Rex.

’k Wil, o God! Uwe eer verbreyen,
’k Wil, mijn Koning! Uwe faam,
Uwen wonderbaren naam
Eeuwig loven en verspreyen,
Met een heerelijk geluid,
Eeuwen In en eeuwen uit.

Dag op dag wil ik U prijzen,
En Uwe uitgebreide faam
Loven, op Uw grooten naam
Eeuwig naar den hemel rijzen,
Met ecn heerelijk geluid,
Eeuwen in en eeuwen uit.

Gij zijt groot en wonder eerlijk,
En Uw grootheid heeft geen end.
Stam op stam verheft en kent
Uwe werken, schoon en heerlijk.
Uw bekende almogendheid
Wordt van telg in telg verbreid.

Zij verkondigen eendrachtig
Uw grootdadigheên alom,
Stralen van Uw Heiligdom;
En Uw vlegels, die zoo krachtig
Treffen, wat U tegenstrijdt.
Elk verhaalt, hoe groot Gij zijt.

Zij verhalen d’ overvloeden
Van Uw liefelijken aard,
Juichen, blijde en onbezwaard,
Met rechtvaardige gemoeden,
Om Uw waarheid; die vertrouwd
Ieder haar beloften houdt.

God is een getrouw Ontfermer,
Een genadig Heer, alleen
Vol geduld, vol goedigheên,
En een algemeen Beschermer.
In bermhartigheid zoo sterk,
Overtreft Hij al Zijn werk.

Laat vrij alle Uw werken spreken,
U verheffen. Laat de schaar
Van Uw Heiligen te gaâr
U verheffen onbezweken;
Dat Uw rijkseer en Uw macht
U verheffen uit haar kracht.

Laat hen alle menschen leeren
Uwe macht, de heerlijkheid
Van Uw rijk, vol majesteit,
Uw gmootdadigheden eeren;
Dat alom het wonder blijk
Van Uw heerlijkheid en rijk;

Want Uw rijk is niet vergangbaar.
Maar een rijk, dat eeuwig staat,
En Uw heerschappije gaat
Al de wereld door ontvanghaar,
Van den stam in telge en spruit,
Eeuwen in en eeuwen uit.

God is oprecht in Zijne eeden,
In beloften vast en sterk.
Heilig ook in al Zijn werk.
Hij verheft den afgestreden,
Reikt genaderijk de hand
Wat getreden legt in ’t zand.

Heer! alle oogen zien verlegen
Op Uw gunst. Gij spijst elk een
Op zijn tijd. Uw hand alleen
Opent Gij, eis schenkt Uw zegen
Alle dieren, en verzaadt
Al wat zich op U verlaat.

God is oprecht en rechtvaardig
In Zijn handel, in elk perk,
Heilig in een ieder werk,
Bij d’ aanbidders ook meêwaardig,
En niet verre van het hart,
Dat Hem oprecht zoekt in smart.

Hij bestemt den wil dergenen,
Die godvruchtig, naar Zijn woord,
Hem aanbidden, en verhoort
Het gebed van al die weenen,
En verlost uit hun verdriet
Al wat op Zijn noodhulp ziet.

God, bewaart al die Hem minnen;
Alle boozen gaan te grond.
Ik verhef Hem met mijn mond.
Dat Hem elk, met hart en zinnen,
Lof zinge in Zijn Heiligdom,
En oneindig prijze alom!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001