Joost van den Vondel (1587-1679)

CXLVIe HARPZANG.

A. 1656

(Naar de nieuwe Overzetting zijn de 2 eerste verzen van den 147en Psalm).

Laudate Dominnm, quoniam bonus est.

Looft den Heer met dankbre lofgezangen.
Huwt de keel aan uwe schelle snaar.
Schept nu lust, met lofzang Hem t ontvangen,
Heerelijk en blijde in t openbaar
In te halen Hem, die nu de veste
Van Jeruzalem zoo trotsch hersticht,
Het verstrooide stamhuis eens ten leste
Weer herstelt, en van het juk verlicht.
Hij geneest en zalft verslege harten;
Hij verbindt de wonden, na hun leed,
Na zoo veel elende en droeve smarten.
God is Monsterheer, en telt, en meet
t Heer der starren, dat in zijn geleden
Heentreedt, als Hij elk noemt bij zijn naam.
Groot is God, in Zijne almogendheden
Overkrachtig. Niemand kan de faam
En t getal van Zijne alwijze werken
Achterhalen. Hij beschut in kruis,
Wat zachtmoedig is. Zijn macht de sterken
Morselt, en verplet tot stof en gruis.
Treedt met zang en cyther voor Hem henen;
Zingt en speelt ter eere van dien Heer,
Die t gewest, te heet en droog beschenen,
Met Zijn wolken dekt, het aardrijk wer
Regen gunt, dat berg en dal verkwikken,
Gras en kruid verleenen, elk tot nut,
Vee hun voeder geeft, eer d akkers stikken,
t Leven van de jonge raven stut,
Als het nest hem aanschreit, zon verlegen.
God heeft geen behagen aan den roem
Op het brieschend paard, en s ruiters degen:
Noch de sterke beenen van de bloem
En de heerkracht der geweldenaren
Kunnen Hem gevallen, wien behaagt
Wat Godvruchtig leeft, en in gevaren
Op Hem hoopt, en, nednig en vertsaagd,
Van den morgen af tot s avonds spade,
Wacht op Zijne oneindige genade.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001