Joost van den Vondel (1587-1679)

CXLVIIIe HARPZANG.

A. 1656

Laudate Dominum de clis.

Looft den Heer! gij hovelingen
Van het Hemelsche paleis,
Rijk van peis.
Looft Hem boven s Hemels ringen,
Daar gij zweeft, van trans in trans,
In Gods glans.
Looft den Koning van Zijne Englen,
Boden van de hoogste Macht.
Hemelwacht,
Heer des Hemels, helpt me strenglen
 Helpt me vleehten s Hoogsten lof
In Zijn hof.
Looft Hem, zon en maan te gader,
Die bij beurte, dag en nacht,
Trekt te wacht.
Sterren, looft der starren Vader,
  Voor wiens heldren glans uw licht
Strijkt en zwicht.
Eerste kreits van s Hemels ronden,
Hoogste hemeltrans, geef eer
God den Heer.
Watren, aan Gods macht gebonden,
Boven t starlicht, hemelzee!
Looft Hem mee;
Want de Godheid schiep u t zamen
Met n woord. Toen Zij t beval
Stond het al.
Op Gods woord en wenken kwamen
Wat men zag, wat niemand zag,
Voor den dag;
Hij bond ze alle aan Zijne wetten,
Om bestendig vast te staan,
Van hun baan
Niet een voetstap te verzetten.
Wat Hij schiep door Zijn gebod,
Hoort naar God.
Looft, gij burgerij der aarde!
God, wien ieder element
Dient en kent.
Draken, die uw hol bewaarde,
Grondelooze zen en meer,
Looft den Heer!
Vier en hagel, sneeuw en kegel,
IJs en vorst en storrembui,
Die, niet lui,
Stadig past op s Hemels regel,
t Zij gij brandt of laaft of koelt,
Ofte woelt;
Bergen, dalen, vruchtbre boomen,
Cederboomen, hemelhoog
Voor ons oog,
Wat in t wild wast, of zich toomen
Laat van akkermans verstand,
En zijn hand;
Alle wilde en tamme dieren,
Slangen, zwanger van vergift;
Vlucht en drift,
Die door d ijdel lucht loopt zwieren,
En het zaad betaalt dus el
Met uw keel;
Koningen op s werelds stoelen,
Vrije volken, heeren van
Uwen ban;
Rechters, die, daar pleiters woelen,
Vonnis velt, t oneffen slecht
In t gerecht;
Jongelingen, frisch van leden,
Kuische maagden, grijze lin,
Waard t ontzien,
Sterke mannen, looft met reden
s Hoogsten naam, die zoo verrijkt
Niemand wijkt;
Want in Hemel en op aarde
Wordt de Hoogste alleen gekend,
Zonder end.
Hij verlost en houdt in waarde Jacobs stamhuis,
Zijn geslacht,
Dat Hij acht.
Dat dees lofzang zij gezongen
Door Zijn Heiligen, met vreugd,
Heel verheugd!
Dat Hem t stamhuis, met de tongen
Van het volk, bij God gezien,
Eere en dien!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001