Joost van den Vondel (1587-1679)

CXLIXe HARPZANG.

Aş. 1656

Cantate Domino canticum novum.

Zingt den Heere een nieuw gezang!
Looft Hem midden in den drang,
Daar Gods scharen
Bij Zijn Priesterdom vergâren.

Dat het stamhuis vrolijk zij,
In zijn Schepper zich verblij,
In Dengenen,
Die den vadren is verschenen.

Dat nu Sion vrolijk juich’,
En de burgerij zich buig’
Voor hun Koning,
Ingewijd op ’s Hemels kroning.

Laat ze, met een blij geschrei,
Gaan op zijnen naam ten rei!
Last ze paren
Zang en trom en keel en snaren;

Want de Godheid uit haar wolk
Lust schept in haar eigen volk.
Uit hun smarten
Redt Hij die verslege harten.

Heiligen, met blijde stem,
Juichen in Gods rijk voor Hem
Zij verblijden
Zich daar boven, vrij van lijden.

’s Hemels lof, op God gegrond,
Is bestorven in hun mond;
Daar ze grepen
’t Zwaard, van weęrzij scherp geslepen.

Om te wreken naar hun macht
’s Hemels smaad aan ’t aardach geslacht,
En te straffen
Volken, die naar boven blaffen:

Om ’t geboeide koningsdom
Heen te voeren, doodsch en stom,
Over Heeren,
Streng geboeid, te triomfeeren:

Opdat ’s Hemels oordeel klaar
Sta gesneęn op Gods pilaar;
Gods verkoren
Is deze eer omhoog beschoren.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001