Joost van den Vondel (1587-1679)

Berijming van Psalm 136

Toen wy, te Babylon, geketent, daaghlix droever,
Ons harpen hingen aan de wilgen, die den oever
Der onversoenbre Eufraat beschaduwen met groen;
En aan Ierusalem, en ít Vaderlant gedachten,
En aan díaltaren, daar wy Godt te dienen plaghten,
En Levi ons met Man des Godtsdienst plagh te voÍn:

Toen scheen ons aangezicht van hartzeer te verouden.
De boezem zuchten loosde, en díoogen parlen douwden;
Want díoverwinners ons beloegen, in ons kruis,
En spraken: weest getroost, ghy ís hemels uitverkoren,
Nu laat ons eens een liet en blijden lofzangk hooren,
En zingt eens, zoo ghy plaght, in uw Godsdienstigh huis.

Och, spraken wy, wien zou gelusten noch te zingen,
Nu wy, zoo veer van huis, by woeste vreemdelingen,
Zijn ieders tijtverdrijf, en guighelspel, en hoon.
Ierusalem, eer ghy in mijn ghemoedt zult sterven,
Eer sal mijn rechte hant haar soete snaren derven;
Eer sal mijn schelle harp mij weigren haren toon.

Gewijde vloeren, en ghy schoon gebouwde bogen,
En heilighdommen, die noch glinstert in onse oogen;
Och Sion, eer ghy laat te sijn ons hooghste goet,
Ons weelde, ons vrolickheit, ons vaarsen, en gesangen;
De tong sal eer verdrooght in ít montgehemelt hangen,
Eer dat van elders vreught verrijse in ons gemoedt.

Gedenck, o Heer, gedenck de rasende Edomiten;
Die, in ít verdelgen van den roem der Israliten,
Vast kreeten: af, rein af, tot op den lesten steen.
Verwoest, en brant, en blaackt: brengt yser aan, en vuurwerck.
Men draagh geen kerck ontsagh. verloopen is haar uurwerck.
Men trap haar, die u zoo baldadigh heeft getreÍn.

Bloetdorstigh Babylon, hoe stout ghy u durft roemen;
Men sal in ít ende den verdelger zaligh noemen,
Die u vergelde al ít wreede ons aangedane quaadt.
Dan salmen roepen: o geluckigh zijt ghy Persen,
Die Sions onrecht wreeckt, en die de teeder harssen
Van Babels zuigeling op rotsen klitst, en slaat.