Joost van den Vondel (1587-1679)

Inleiding tot Salmoneus

„Om ’t nadeel, geleeden by het Wees- en Oudemannenbuis, vertelt Brandt, „door het sluiten van den kostelyken en kunstigen tooneelheemel, daar men Lucifer in hadt beginnen te speelen, eenighzins te vergoeden, braght hy een treurspel van Salmoneus, daar die toestel van een gebootsten heemel in te pas quam, op het toonneel; geenszins van de minste zyner treurspeelen. Dit werd in het jaar MDCLVII gedrukt; wanneer ook Davids Harpzangen, een treffelijk werk, en op velerley maaten gedicht, te voorschyn quaamen: Opgedraagen aan Koningin Christina Maria Alexandra die hy om haare nieuwe naamen en afval tot het Pausdom, daar ze hem in geleek, nu dies te hooger zette, en met meer andre lofdichten vereerde.

In ’t zelve jaar gaf hy zich weêr op reize naar Denemarken, om zyn zoons schulden te innen; daar hy weinig genoegen vondt. Want weêr t’huiskoomende, en van zyne vrienden gevraaght, of hy ’t by de Deenen niet al moede was, gaf hy ten antwoordt, dat hy meenighmaal dacht:

Daer schreef hy verscheide dichten tot lof van den Koning Frederick den derden, de Koninginne Sofia Amalia, en andere Grooten; t’ Amsterdam gedruckt met den tytel van Parnas aan de Belt. Maar dees groote Dichter, die zoo veel groote personaadjen, Prinsen, Vorsten, Koningen en Helden verplichtte, door onsterffelyken lof, hun toegezongen, hadt met al zyn dichten en edelen arbeidt niet eenen Mecenas of Augustus kunnen winnen, die hem in een’ kommerloozen staat stelde. Maar in ’t tegendeel was hem zoo veel tegenspoed en schaade bejegent, dat hy in den ouderdom van seventigh jaaren gevaar liep van gebrek te lyden; ’t geen ook ten grooten deelen zyn naaste bloedt stondt te wyten. Zyne huisvrou hadt hem, (want zyn zoon Konstantyn en dochter Sara waaren beide jong gestorven) twee kinders naagelaaten, een’ zoon van zynen naame, en een dochter, Anna van den Vondel De dochter, die naar den vader aarde, en schrander van verstandt was, werdt geestelyk. Den zoon, die kleen van geest, en los van hoofde was, hadt men tot neering en koopmanschap opgebracht: maar was’ er de man niet toe. Van hem werdt vertelt, dt hy in zyne domme onwetenheyt zynen vader, als iemand van Josefs treurspeelen sprak, afvraagde of Josef niet Katholyk was? Dees met zyn eerste vrou by zynen vader woonende, nam zyne zaaken eenighsins waar, en en droeg zich passelyk; maar na haar doodt met dry kinderen, twee zoonen en een dochter (die namaals by den grootvader woonden, en in de bloem hunner jeught overleden) blijvende zitten, begaf zich tot een tweede huwelyk, dat niet wel beslaaghde: quaalyk gepaart met een vrouwe die zyn losse zinnen voort aan ’t hollen holp, en veel geldts verdeê. Dit baerde den ouden man zoo veel verdriets, dat hy, met zyn dochter, van hun af ging woonen; en men hoorde hem, toen met Davids Harpzangen besigh, dikwils zeggen. Indien ik de troost en verquikking der Psalmen niet hadde, ik verging in mijn elende. Hy zeide ook meenighmaal tegens zyne vrienden; Noemt geen kinders naar uwen naam; want die wordt gebrandtmerkt, als ze niet doogen. Dus strekte dien zoon, den vader tot een geduurige quelling. Door zyn ongeregelt leven, slecht beleidt, en bot verzuim, liep alles in ’t wilde. Hy verquiste en verloor, binnen weinig jaaren, niet alleen zyn eige middelen, maar ook, zoo veel van ’t geen hem anderen hadden toebetrout, dat hy op ’t punt stondt van te breeken, en door te gaan; ten waare zyn vader, uit vaderlyke zucht en eerlieventheit, hem de handt hadt gebooden; de schuldtheffers te vrede stellende, en groote sommen voor hem betaalende. Toen zochten de vrienden den zoon met redenen te beweegen dat hy naar Oostindië zoude vaaren: maar hy hadt er geen ooren toe, en de vader vondt zich eindelyk genoodtzaakt, nevens de vrienden, van de Heeren Burgermeesteren te verzoeken, dat men hem met dwang derwaarts moght zenden, ’t welk daatlyk werdt ingewillight. Hy voer heenen, maar storf op de reize. Doch de vader die men houdt dat ontrent veertig duizendt guldens by hem liet zitten, ook veel schaade hebbende geleden by anderen, dien hy ’t zyne betroude, vondt zich in groote verlegentheit; weinig anders overigh hebbende dan ’t moederlijke goedt van zijn dochter Anna van den Vondel, hem niet eigen. Aan haar heeft hy dat goedt, en wat hem van ’t zyne noch overschoot, gerechtelyk opgedragen: om indien de zoon, van wiens overlyden hy noch geen tyding hadt, weer nieuwe schulden maakte, dat overschot tegens alle schuldenaars, ten behoeve van zijn dochter, die by zyn verlies schaade genoegh reekende, te verzeekeren. Doch hier door werdt het geen noch in handen was, wel bewaart, maar scheen naauwlyks genoegh om voortaan van te leven. En wat raadt, als men dit moght verteeren? Hier was goedt raadt dier. Hy kon in zijn’ hoogen ouderdom niet anders dan vaarzen maaken, een weelenschap, die, gelyk Nasoos vader, om zyn’ zoone de kunst tegen te maaken plagh te zeggen, geen gewin inbrenght.”


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001