Joost van den Vondel (1587-1679)

SALMONEUS

HET TWEEDE BEDRIJF.

DIODOOR. THEOFRASTUS. REY VAN PRIESTEREN.

DIODOOR.
Trouanten, zet dit beelt wat neder op den drempel
Van Donderkerck; nu toeft een luttel voor den tempel:
DíAertspriester Theofrast met al het Priesterdom
Komt bevende uit het koor, zoo grijs hy is, en krom
Geboogen door den last der opgehoopte jaren,
Gesleeten op de wacht voor kercken en altaren:
Al is het lichaem zwack, noch flaeut zijn yver niet.
THEOFRASTUS.
Wat of dit marmerbeelt in ít kerckportael bediet?
Dit schijnt Salmoneus zelf of naer Jupijn te zweemen.
DIODOOR.
De Vorst belast u dit in ít heilighdom te neemen,
Te planten op ít altaer, in ít allerhooghsten koor,
Met alle plechtigheÍn.
THEOFRASTUS.

                                  Wat zeghtge, Diodoor?
Aenvaert ge dezen last?

DIODOOR.
                                     DíAertspriester houme onschuldig:
Ik spreek in ís Konings naem.
THEOFRASTUS.

                                               Wie kan dien trots geduldig

DIODOOR.
Getroost díAertspriester zich des Konings ongenaÍ
Te laden op den hals, zoo kan men my de schaÍ
Den krack des Priesterdoms in eeuwigheit niet wijten.
THEOFRASTUS.

O Priesters, het is tijt voor u Jupijn te quijten. (*)

DIODOOR.
Eerwaertste vader, hou gemack; gy Priesters, houdt (*)
Uwe handen van dit beelt, mijn zorge toebetrouwt.
De Koning gaf geen last my tegens u te kanten
Met openbaer gewelt; dus keert, gy hoftrouwanten,
Ten hove, en zeght hoe ick den wil en last van ít hof
De Kerck hebbe aengedient.
THEOFRASTUS.

                                            Wat wort de Kercke al stof
Gegeven, om met maght hier tegens aen te wercken!
O schennis! Ű Jupijn! Ű gruwel voor Godts kercken!
Geeft nu een sterflijck mensch zich uit voor eenen Godt?
Díaeloude godtsdienst wort den ongrieck tot een spot
Door zulcke vreemdicheÍn, te godtloos en verwaten
Ten toon gestelt; hoe nu, godtvruchtige onderzaten
Van Elis, kuntge dit met lijdtzame oogen zien?
De Juno van dit hof wil ít Priesterdom gebiÍn:
Zy heerscht door haren heer, en durf ons wetten stellen.
Nu zietge eerst klaer wat quaet onze offervinders spellen,
Uit vezelen van vee en offeringewant.
Hier draeit dit nachtfeest op, dit wordt door Hierofant
Beyvert, om zijn klaeu te slaen in al ít gewijde,
En hierom weifelt hy. en trouwt des Konings zyde:
Maer niemant onder u zal zoo lichtvaerdigh zijn.
Dat hy om aertsch genot den godtsdienst van Jupijn
Verzaecke; ick zweere by mijn heilige offerbanden
En hooft, geení witten stier noch smoockende offeranden
Te wijden aen dit beelt, noch geur noch wieroockvat
Te zwaejen voor ít altaer al zouden hof en stadt
Met koningkrijck met al in vier en bloet verzincken.

REY VAN PRIESTEREN.

Eerwaertste vader, zacht.

THEOFRASTUS.

                                        Ick meen mijn bloet te drincken
Om dees verwatenheÍn.

REY VAN PRIESTEREN.

                                       Gewis uw Heiligheit
Wort op de proef gestelt door zulck een onbescheit.
Het hof, dat in de kerck noch spreecken magh noch stemmen,
Belaegt de myterkroon, en waent haer maght te temmen:
Maer ít Priesterdom, dat u tot hooft heeft ingewijt,
Zal ít heiligh tempelrecht, aen eeuwen noch aen tijt
Noch weereltsch hooftgezagh gebonden, kloeck verweeren,
Al zou de weerelt in haer ouden baiert keeren:
Maer aengezien dees storm, zoo snel, en onverwacht,
Dus opsteeckt en het hof zijn opzet dezen nacht
Voltrecken wil, en zich om hoogh noch laegh laet hinderen,
Valt dit bedeneken, of ghy met wat zeils te minderen
Niet veiliger door zee zult varen, voor een poos,
Dan laten volstaen, en den godtsdienst reuckeloos
Beveelen aen ít gevaer van gijpen of van stranden,
In zulck een dwarrelinge en buy van misverstanden
Men ga met overlegh: het hangt aen uw besluit.

THEOFRASTUS.
Hier valt geen middelen: hier heeft de godtsdienst uit,
Indien wy weifelen, en ít hof naer ít aenzicht doecken.
REY VAN PRIESTEREN.

Men kon behendiger de schalckheit dus verkloecken
Om beters wil, de schaÍ gaet zomtijts voor de baet.

THEOFRASTUS.
Ick prijze uw ooghmerck, maer ít gevollegh is te quaet.
Het hof, doortrapt en loos, verleert niet licht zijn luimen.
Begintme om beters wil dien Afgodt in te ruimen,
Zoo wort de voet geleght tot ongebondenheÍn.
REY VAN PRIESTEREN.
Men ruimt, met eenen voet of twee te rugh te treÍn,
Het velt niet, maer verliest wat velts om ít velt te winnen.
THEOFRASTUS.
Zoo wint het hof op ons: waertoe den vyant binnen
Gelaten, die zoo licht gekeert wort voor de poort?
REY VAN PRIESTEREN.
Niet licht, maer met gevaer, het hof vaert echter voort.
DIODOOR.
De Vorst heeft by zijn hooft en kroon te hoogh gezworen.
THEOFRASTUS.
En ick by Jupiter, geen Afgodt zal zijn kooren
Ontheiligen; geen maght van Vorsten onze maght
Verdrucken: liever hier gestorven op de wacht
Des tempels, dan den toom van ít kerckgezagh te missen.
Wie zou dees lastervleck uit onze altaerkleÍn wissen?
REY VAN PRIESTEREN.
Salmoneus heeft de maght der hofbende op zijn hant.
THEOFRASTUS.
De kerck onteeren zet een Rijck in lichten brant.
REY VAN PRIESTEREN.
Hy acht zich sterk genoegh dien brant des Rijcks te blussen.
THEOFRASTUS.
Gansch Griecken stemt met ons in godtsdienst.
REY VAN PRIESTEREN.

                                                                         Ondertusschen
Verliezen wy ít genot des godtsdiensts en zijn vrucht.
Wy bouwen, zonder ít zwaert, kasteelen in de lucht,
Indienwe ons op den arm van ít Priesterdom verlaten.
Hy kan de maghtigen en hoofden der soldaten
Betalen met uw erf, en zettenze in ít bezit.

THEOFRASTUS.
Wie hoorde oit onbescheit wanschapener dan dit,
Der geestelijcken erf aen ít weereltsdom te brengen!
REY VAN PRIESTEREN.

Gehengt het Jupiter, wy moeten het gehengen.

THEOFRASTUS.

Ick stel mijn toeverlaet op Bazilides trou.

REY VAN PRIESTEREN.
Eení hoveling? helaes, een zwack een kranck gebou.
THEOFRASTUS.
Geen hoveling zoo Meen. hy vlamt op hooger staten.
REY VAN PRIESTEREN.
Gy mooght het hoopen, doch de hoop zal luttel baten.
THEOFRASTUS.
Wat brouwt de hoovaerdy van eenen Vorst al ramps
Een vrouw, vol ydelheÍn, vol spoocks, vol roocks, vol damps,
Kan zijn verstant zoo wijdt misleiden, en vervoeren.
Dat hy zich niet ontzie zijn Rijcken te beroeren,
Te stellen in gevaer: men late ít beelt hier staen.
DIODOOR.
Gy moet u op dit stuck al datelijck beraÍn.
BAZILIDES.

Het schijnt of deze tijt de weerelt om wil wroeten,
Die uit haer assen rolt; hoe raeckt ze eens op haer voeten?
Zy twijfelt ofze dwers of achter gaet, of voor;
Zoo zwindelt haer het hooft: zy houdt noch streeck noch spoor.
De Koning, zonder zoon en manlijcke erfgenamen,
Wort van de spil beheerscht, die rockent werck te zamen,
Rust nimmer nacht noch dagh, en spint het werck zoo grof,
Dat zy den Staet verwert, en terght; de kerck en ít hof
Als in slaghorden zet, door ít broÍn van vyantschappen,
Verhit om onderling elckanders hart te trappen.
Mijn zwaert, aen ís Konings eedt gebonden, suft en dut
Wat zy te kiezen sta, het eerlijck, of het nut.
De weereltwijsheit raedme op eige nut te letten,
En my en mijn geslacht en afkomst hoogh te zetten,
By dees gelegenheit: want uit den burgertwist
En kerckkrackeelen weet de loffelijcke list,
In schijn van heelzaemheit, als ít evel is aen te rijpen,
Met glimp een sluierkroon en purpren rock te grijpen,
Die Bazilides past, des Rij cks vertrouweling,
En opperveltheer, ick verlaetme op deze kling,
Daer mijn geluck aen hangt, en wilze aen weÍrzy leenen.
En kunstigh weifelen, doch geen party vereenen.
Zoo stuurt men best ít gezagh des Konings naer ít bederf
Te bersten op de rots van tweedraght; heeft de verf
Van een verniste grijns oit iemants oogh bedrogen,
Zy dienme nu: zoo wort eení vos in ít net getogen,
En valt de loosheit van den jager tot eení buit:
Wat gaet de Konings Stam met ís levens uurglas uit;
Dit Koningkrijck is mijn, al had een ander voordeel
De scepter hangt aen ít zwaert: de stomme spreeckt het oordeel
In spijt van Hierofant, hofpriester van mijní heer.
De Koningin misbruickt zijn wulpsheit, om haer eer
Oock boven Junoos troon op spinneweb te bouwen.
Zy zet den aert ten toon, en ydelheit der vrouwen,
Die spieglen ít aenschijn, en mistrouwen zelf den schijn,
Uit dwaze hoovaerdy; zy willen grooter zijn
Dan haer Vulkanus eerst bootseerde om stof te sparen.
De deught is slecht bewaert, daer zy de doos bewaren,
Vol deught en ondeught, haer nieusgierigheit  betrout
En opgeblazenheit, die ít Rijck dien nevel brout,
Waer uit alreÍ mijn zon en glorie is aen ít rijzen.
Maer zie hoe Hierofant (ick zal zijní yver prijzen,
En aenvoÍn) zich vergramt met minen, en gelaet,
Om ít beelt, dat noch ten schimp voor onze hooftkerck staet,

HIEROFANT. BAZILIDES.

HIEROFANT.

Daer pronckt het marmerbeelt des Konings, voor den drempel
Van Donderkerck, O trots! men weigert het den tempel
De schaduw van ít gewelf en godtgewijde dack.
Magh dit bestaen, zoo heeft het hofgezagh een krack;
Zoo leght ons eerste ontwerp van godtsdienst plat in díassen.
Magh dit bestaen, wie zal op ís Vorsten kerckwet passen?
Wy moeten hier met maght en yver in verzien.

BAZILIDES.

Dat staet alleen aen hem, die magh en moet gebiťn.

HIEROFANT.

Die last was u betrout: wat had ghy hun geboden?

BAZILIDES.

Zy zouden, in den naem des Konings van de Goden,
Dit heiligh beelt in ít koor verheffen op ít altaer,
Met Priesterlijck geleid, en kerckelijck gebaer.
Heeft Diodoor, die flus den last heeft aengenomen,
Dit aengedient, en is ít bevel niet nagekomen,
Zoo loopt de kerck gevaer van ísVorsten ongenaÍ.
De tijt verloopt, en lijt geen uitstel.

HIEROFANT.

                                                        Ick verstae.
De zaeck als ghy, men magh op zulck een stuck niet slapen.
Schoon Theofrastus trots en hoogh is in zijn wapen,
Hy moetíer echter aen, hoe stout men dit belettí;
Een grijs gerimpelt hooft, als hy wort traegh verzet,
Het afgesleeten kleet verleert niet licht zijn plojen.
Wat hoorenwe onder ít volck al lasteringen strojen!
Hoe wort het hof beticht van wetteloozen dwang!
Dit kan niet langer staen, en stilstaen spoedt geen gang.

BAZILIDES.
Hoe ít ga of niet, ick sta beknelt van wederzijden.
De Koning dringtme hier, en daer de Kerckgewijden.
Ick volghde ís Vorsten last, zoo ras ick dien ontfing;
Noch roept men: dit ís de drift van zijní vertrouweling,
En Bazilides wort gelastert voor vermeeten.
Voor Kerreckschender en loftuiter uitgekreeten,
Die ít hof naer díoogen ziet, en Godt noch Afgodt acht;
Doch ít moet er eens op staen, ick heb het hof met wacht
By tijts bezorght
; al sloegh de stadt en ít volck aen ít muiten,
Men vreeze geen gevaer, van binnen, noch van buiten:
En schieten wy te kort in deze razerny,
Zoo schen ik den soldaet op stadt, en burgery,
En díoude Priesters aen. Zy paeien dan die tanden,
Dat yzeren gebit
met loeiende offeranden.
Ick ken geen Godtheit dan den Koning en Mevrou:
Laet weifelen wie wil; ick blijf de kroon getrou,
En hanthaef ít hoogh bevel.
HIEROFANT.

                                          Zoo spreecken al de braven,
Die op eení zelven draf en heirbaen heenendraven,
Hoe steil zy opwaert nijs; de deught is niet gewoon
Te streven op een bed van roozen naer de kroon,
Maer langs eení steilen wegh; zy wil op ís volcks behagen
Den prijs niet zoecken, noch den helm en ít harnas dragen
Den meesten hoop ten dienst; zy weeght waerdeert en schat
De dingen op hun waerde, en toetst voorzichtigh wat
Haer voorgestelt wordt; dan besluitze, en wraeckt ten leste,
En kiest, en voert het uit, en geeft zich zelf ten beste
Voor vaderlant, en vorst, en tempel, en altaer.
Dus vallen haer, hoe ít loopí, geen zwaericheÍn te zwaer.

BAZILIDES.

Geheilighde, gy spreeckt niet wulpsch, maer wel ervaren,
En uw godtvruchtigheit en wijsheit zijn uw jaren
Gansch ongelijck
, en treÍn het grijze hair voorby,
De Koning, zonder u, lagh onder en in ly.
DíAertspniester Theofrast, een onverzetbaer drijver,
Staet stom voor uw vernuft, verschrickt voor uwen yver,
En openbaningen: gy rieckt in kerckgeschil
Geheimenisse en droom den goddelijcken wil,
Als gy hadt mont aen mont de Goden zelfs gesproken.

HIEROFANT.
Het heeft ons noit aen moedt noch aen den lust ontbroken,
Om diep te gronden waer de wijsheit bestaet,
En wat de godtsdienst eischt te reeglen op zijn maet.
Ick weet de vlecken van de dwaling uit te schuuren,
Te vaegen van den roest, ick raegh de tempelmuuren
Van spinnewebbe, en ragh, en kleÍze in zuiver wit.
Ick kies geení dop of bast voor kerne en voedzaem pit.
Wat overtollig is besnoei ick van zijn telgen.
Geen Wijze, die mijn wit kan vatten, zal zich belgen,
Dat ick den ouden stijl des tempeliers verzet.
BAZILIDES.

Zie, Theofrastus schijnt met yverigen tredt
Te naecken: spreeck hem aen: de tijt is nu geboren.
Wy willen uw gespreck van wederzijde hooren.

THEOFRASTUS. HIEROFANT. BAZILIDES.

THEOFRASTUS.
Wat brengt ons Hierofant al weder uit het hof?
Is ít vrede, en eenigheit, of moeite en twistens stof?
HIEROFANT.
Wie met den Koning stemt, bestelt geen stof tot twisten,
Als Theofrasten.
THEOFRASTUS.

                           Zegh, gelijck de Salmonisten,
De Hierofanten, die het hof naer díoogen zien,
En traegh beseffen wat de Goden ons gebiÍn.

DIODOOR.
Gy meent de Koningen? verstaetghe zulcke Goden,
Ick stel my onder hen, en eere hun geboden.
THEOFRASTUS.
Gy eertze wyliÍn meÍ, doch boven al Jupijn.
HIEROFANT.
Gy eert de Koningen, als ít pas geeft, met eení schijn
Van eere en andersins onteertze in hunne wetten,
Wanneerge, in steÍ van ít beelt op ít hoogh altaer te zetten,
Zijn Godtheit voor de kerck en al het volck onteert.
THEOFRASTUS.
De Godtsdienst heeft van oudts dit Elis noit geleert,
Dat díeens van hant tot hant ontvange kerckbevelen
Gevolght heeft, en Jupijn met goddelijcke spelen,
Altaren, tempelen, en tempelwoud geviert.
De wijde weerelt wort van Jupiter bestiert;
Hy is de lucht, en ít vier, hy leeft in alle dingen.
Zijn wezen kan alleen door alle wezens dringen.
Zijn Godtheit is de geest, die ít al vervult in al,
Wat uit den mengelklomp, niet by een wilt geval,
Maer naer heur vast besluit zijní leest en vorm ontleende.
Wie deze Godtheit oit ontheilighde of verkleende
Ontsloop niet straffeloos zoo reuckeloos een daet.
Die Majesteit verschoont veel boosheit, doch geen smaet,
Noch outerschendery, noch geen godtslasteringen.
Hy is verwaent, die Godt den blixem waent tí ontwringen.
HIEROFANT.
Hoe nu? heeft Krete niet uw Godtheit uitgebroet?
De Koribas dat kint met geitenmelck gevoedt?
Geborgen in een hol voor ís vaders haet en toren?
Heeft Jupiter dat Rijck, waerin hy was geboren,
Als Koning, niet beheerscht met zijnen grooten staf? (*)
Gewaeght al ít eilant noch niet heden van zijn graf?
Of is ít een bloote naem, waer van zich elck verwondert?
Aenbidtge slechts den naem? ick reken wel driehondert
Jupijns
, de weerelt door gedient, gevreest, geducht.
THEOFRASTUS.
Hoort Jupiter dit aen, en straft hy uit de lucht
Die lastermonden niet? Waer ickme wende of draeie,
Men dient dien Godt in Krete, op Ide, en in Achaie,
PyrreŁs Homole, en ons Piza dienen hem.
Gansch Libye is gewoon, naer Zijne orakelstem
En raet te luisteren; wat wil ons hier gebeuren!
HIEROFANT.
Gy moght u liever om gedroomde fablen steuren
En dolle poŽzy, gespeelt op snaer en her;
Hoe hy zich zelven kan vermommen, als een stier,
Om schoone Europe, in spijt van Sidons koor, te schaecken;
Hoe hy om DanaŽ door hof en koopre daken,
Aen goude druppels smolt in haren zuivren schoot;
Of Ledaes minne in schijn van eenen zwaen genoot;
Of Semele in den gloet des blixemstraels verteerde;
Of Ganimedes met het schenckersdom vereerde,
Hem kuste en wederkuste, als hy met eenen lonck
Hem aenloech, en de schael vol klaren nektar schonck.
Zit deze Godtheit noch vooraen, in ís Hemels orden,
Wat deert Salmoneus, dat hy geen Jupijn zou worden?
THEOFRASTUS.

O Salmonist, die Godt zijn wettige eer ontsteelt!

HIEROFANT.

Indien Lykaon hang uw Godtheit hadt gekeelt,
Men moght, tot ís anders nut, veel zout en wieroock sparen,
De geur is niet besteet, dien wy voor haer bewaren.
Men had veel offervees verschoont, dat hemelhoogh
En wijdt vergeefs in roock en smoock en asch vervloogh.
De hondertvoudigheit van entlooze offerstieren (*)
Is jammerlijck besteet met zulck eení droom te vieren.

THEOFRASTUS.

Zo smeedtge, ons hof ten dienst eení nieuwen Dondergodt.

HIEROFANT.
Gy stut den ouden, slechts om ít aenzien en genot.
THEOFRASTUS.

Het wettige gebruik, bevestight door de tijden.
En alle Rijcken, kan ons decken en bevrijden.
Voor zoo veel lasterschuts; zal elck wat hy verdicht
Verbloemen met den naem van godtsdienst, en zoo licht
Een erfgewoonte. lang geviert, en aengebeden,
Gesterckt met wonderen, van outs, in alle steden
En koninkrijcken, oock zoo wijt men menschen vint,
Verandren naer zijn brein, dan dus dan zoo gezint?
Zoo moet de Godtsdienst flux schimp des volcks gedyen,
Gelijck een weÍrhaen zich naer ís vollecks razernyen
En driften draeien: ja, de wispeltuurigheit,
Aen geen gezagh, verknocht, noch wet, noch regel, leit
Eení voet
, en baent een wegh tot alle goddeloosheit.
En ongebondenheÍn; ga hene, en vier de boosheit
Der weerelt vry dien toom, en toon ons eenen man,
Die zonder ít out gebit de weerelt mennen kan.
Wat volght hier op? wy staen aen Godt noch kerk gebonden.
Schept Goden by de mijl, elck wieroocke aen zijn vonden!
Helaes, ick schricke en ys: mijn haeren staen te bergh.
Indien men dezen poel, vol razernyen, terghí,
Ick zie den weereltkloot gedrongen uit zijne assen,
Eení Oceaen van bloet tot aen de starren wassen,
Om zulck een lastersmet, die niemant zuivren kon,
Te wassen, als in díeeuw van eení Deukalion.

BAZILIDES.

Gy Heeren, matight u, en spreeckt met koele zinnen.
Men kan met ondergaen elckandre beter winnen.

HIEROFANT.

Een schrander vogel schrickt zoo licht niet voor den schijn
En molock, van uw kerck, den slapenden Jupijn,
Misschien in díarmen van zijn boel, met kracht gedwongen,
Daer Juno vast om pruilt; wat dultze al geile sprongen!
En zietze om laegh ít gewelf des heldren hemels aen,
Zy ziet zijn bastertzoons en schoone boelen staen
(Quansuis een eeuwige eer) in ít heir der starren prijcken
En in den hemel zelf Godt Bacchus hem gelijken,
Gelijck zijn eigen kroost. zy ziet Alkmenes zoon,
En kropt haer stiefmoÍrschap en onverzoenbren hoon.
Ick zwijgh zijn snoepen en ontelbre zijdegangen,
Van geení Vulcaen betrapt, noch in zijn net gevangen.
Dit is uw Jupiter, die zulcke rollen speelt:
Dies yver dat gy zweet, en keer Salmoneus beelt:
Ick ga ten hove, en wil den Koning zoo belezen,
Salmoneus zalí er staen, of Godt noch Koning wezen.

BAZILIDES. THEOFRASTUS.

BAZILIDES.
Aertspriester, kan men dit aenhooren, zonder schult?
Jupijn verschoonme: ick ben ten ende van gedult.
Mijn eedt verplicht dit zwaert voor ít hofgezagh te bucken;
Maer zonder dat, het hieuw hem ít beckeneel in stucken,
En schonck de stucken van dat Godtverwaten lidt
Den disch van mijnen Heer, die nu ter tafel zit,
En bancketeert, en drinkt den wijn uit nektarschalen,
Om in zijn majesteit, gelijck een Godt te pralen
Met al den Adeldom, een trots vermomden stoet
Van Goden
; moet men ít hof ten dienst staen op voet,
Wy waren nutter, och veel nutter, ongeboren.
Al heeft de hofbende ons, haerí Overste gezworen,
Wy staen gereet dit ampt te weigren, en deze eer.
Behaeght het u, in ernst, daer leght de degen neÍr,
Om geenen valschen dienst van GodtheÍn te beschutten.
THEOFRASTUS.

Heer Overste, om de kerck en Godtsdienst te onderstutten,
Bewaer uw ampt, en waeck ten minste dezen nacht,
Ten dienst van Jupiter, en ít Priesterlijck geslacht.

BAZILIDES.

Hoe kan ick Jupiter en ís Konings gruwel eeren?

THEOFRASTUS.
Met dezen dollen slagh van onzen hals te keeren.
BAZILIDES.

Twee GodtheÍn, díeen waerachtigh, díandre valsch?

THEOFRASTUS.
Ontzietghe ís Konings vloeck te halen op den hals?
BAZILIDES.
Geenszins, ick sta bereit voor Godts altaer te sterven.
THEOFRASTUS.

Volhardt: gy zult de gunst van Godt en ons niet derven.

BAZILIDES.

 Wie kan een sterfiijck mensch verheffen, als eení Godt?

THEOFRASTUS.

Beveel dien last aen ons.

BAZILIDES.

                                        Het koninklijck gebodt
Niet uit te voeren stelt ons voort in ongenade.

THEOFRASTUS.

Wy zwichten niet: wy gaen met Jupiter te rade.

BAZILIDES.

Oock zwicht Salmoneus niet, het hof braveert de kerck.

THEOFRASTUS.

Geef weereltlijcke maght valt ís Hemels maght te sterck.

BAZILIDES.

De Koning eigent zich het opperste vermogen.

THEOFRASTUS.

Der Goden Koning ziet dit schouspel uit de hoogen.

BAZILIDES.

Hy ziet het, maer de straf komt overlangsaem by.

THEOFRASTUS.
De Hemel weet zijn tijt, en ruim zoo wel als wy.
BAZILIDES.
De nadruck van de straf leert wetten onderhouden.
THEOFRASTUS.
Door uitstel van den eisch geen schuit wort quijt geschouden.
BAZILIDES.
Hoe draeght zich midlerwijl een amptenaer van ít hof?
THEOFRASTUS.
Vermomt.
BAZILIDES.

                    Hoe magh dit deur?

THEOFRASTUS.

                                                      Wy geven u verlof.

BAZILIDES.
Terwijl verloopt de kans om dit schandael te storen.
THEOFRASTUS.
Zoo dra niet; toom u in: de tijt is niet geboren.
BAZILIDES.
En stuit gy dit, ick zie uwí kercker al bereit.
THEOFRASTUS.
En vangtge my, dat dient tot mijn verzekertheit.
BAZILIDES.
Ick schen mijn handen niet aen ít hooft der Godtgewijden.
THEOFRASTUS.
Om beters wil: die wil zal met Jupijn niet strijden.
BAZILIDES.
 De Koningin verruckt den Koning: is ít geen schaÍ?
THEOFRASTUS.

Der vrouwen hoogmoedt sleipt een staert van rampen nae.

BAZILIDES.
Der vrouwen hovaerdy heeft menigh heer bedorven.
THEOFRASTUS.
Die buiten ít vaderland in ballingschappen storven.
BAZILIDES.
Geen zorgelijcker punt, dan dat op Godtsdienst slaet;
THEOFRASTUS.
De kercktwist baert doorgaens de scheuring in den staet;
BAZILIDES.
En staetbederf, niet licht te beetren, noch te boeten.
THEOFRASTUS.

De rechte Godtsdienst stelt eení staet op vaste voeten.

BAZILIDES.

De Koningin misbruickt dien wulpschen Hierofant:

THEOFRASTUS.

Die brout dees nieuwicheeÍn, en broeit een pest in ít lant.

BAZILIDES.
Zijn wulpscheit waent den wegh te banen naer de starren.
THEOFRASTUS.
Dat brein is recht gespitst op Staten te verwarren
Door dubbelzinnicheÍn; zoo breit de spin haer net,
Zoo weeftze een spinneweb, daer vint zich ít aes bezet.
Zoo raeckt de simple vliegh, oock eer zy ít merckt, gevangen;
Een vogel streeftí er door, en zal zich niet verhangen
Aen zulk eení strick.
BAZILIDES.

                                 De Vorst blijft evenwel verstrickt.

THEOFRASTUS.
De Vorst is wijzer, maer zijn overdwaelsheit mickt
Op ít onbeschietbaer, van zijn bedtgenoot gesteven
Die weet door Hierofant dien droom eení glimp te geven.
BAZILIDES.
Zijn aenhang is noch kleen, waer op hy zich betrout.
THEOFRASTUS.
Is díaenhang kleen, hy is wel loos, en boos, en stout,
BAZILIDES.
Om wat te dorven?
THEOFRASTUS.

                               Dat heel Griecken door zou donderen.
Den tempel van Jupijn, altaer, en beelt te plonderen;
Het grijze Priesterdom te zetten uit zijn erf,
En voort al ít overschot te deelen by versterf.

BAZILIDES.

Men eischt alleen dit beelt ten tempel in te voeren.

THEOFRASTUS.
Al ít ander smoort men, om dat hooftpunt niet te roeren;
Het luidt te hatelijck: waer eerst de gront geleit,
Gy zoudt den nadruck zien van deze nieuwigheit.
BAZILIDES.
Misschien hoe Hierofant bekleede uw kerckgestoelte.
THEOFRASTUS.

Met reden, daer geen zon ít hooft steeckt in de koelte
En schaduw van ít gewelf; hy vlamt opít kerckgenot.
Wie zou Salmoneus beelt voor dien beroockten Godt
Jupijn niet kiezen, en met offeranden paejen?
Het voorspoock van dien storm wort reÍ gehoort aen ít kraeien
Des weÍrhaens van dit hof, die zijnen trotschen kam
Vast opsteeckt tegens ons.

BAZILIDES.

                                         Met welck een trotsheit nam
Hy afscheit, en beloofde u weder op te komen!

THEOFRASTUS.
Laet suffers, zonder hart, voor dreigementen schroomen:
Ick wijck niet eenen voet voor doot, noch dreigement.
BAZILIDES.
Wie twijfelt die den moedt van Theofrastus kent?
Ick ga ten hove, om hun geen achterdocht te geven.
Eerwaerdighste, volhardt; mijn staet en eer en leven
Te wagen, is niet veel, indien het u behoÍ;
Ick blijf mijn Vorst getrou, maer Ė tot het outer toe
THEOFRASTUS.
Ga heene: hier op moet gy Jupiter behagen,
Die waerdigh zijt, om ít hooft een sluierkroon te dragen.
Een weiflaer houdt ten hove alleen zijní heer tot vrient
Om ít voordeel, en zoo lant ít geluck den meester dient;
Doch Bazilides ooght op Godtsdienst meer dan Staten;
Op zulck een kerckhelt magh Godts volck zich vast verlaten.
REY VAN PRIESTEREN.
ZANG.

Geluckigh is de heer,
Die wel begrijpt, hoe teÍr
aeloude Godtsdienst en Godts wetten
      Uit hun nature zijn;
      Zoo datze oock zelfs geení schijn
Geen lucht noch glimpen van verzetten
      Verdragen, min verwatenheit
      Van laster, dat de majesteit
Des Dondergodts geheel verduistert.
De louterheit des Godtsdiensts luistert
      Noch scherper dan de fixte tong
Van Themis weeghschael, die rechtvaerdigh,
      Terwijl ít geschil in twijfel hong,
Het vonnis velde, en scheide ít waerdigh
      En minder waerdigh juist en net.
Oprechte Godtsdienst lijdt geen smet.

TEGENZANG.

      Den Priestren is de wacht
      Des Godtsdiensts dagh en nacht
Op ít hooghst bevolen te bewaren.
      De tempel rust alleen
      Op geenen marmersteen,
Maer meer op levende pylaren,
      Op ít onbeweeghbre Priesterdom,
      Dat met zijn schouderen alom
De feesten stut, en pleghtigheden,
Zoo wijdt de zon komt aengereden,
      Van díOoster- naer de Westerkim.
Jupijn, de Koning van de Goden,
      Munt uit, als ít licht by eene schim.
Wy staen getrou voor Zijn geboden.
      Wie boven hem een Godtheit stellí, (*)
      Wy houden Jupiters bevel.

SLOTZANG.

Wanneer de tempels en de hoven
      Verwarren hun gezagh,
      Dan gaet het niet als ít plagh.
Dan wordt de deught verschoven,
      De schaduw schijnt het licht
      Te steuren in zijní plicht.
Een ieder moet zijn beurt bekleeden.
      Díeenstemmigheit van bey
      Gaet lieflijk, als een rey
Van zang en dans, op maet van reden
      Zy onderhoudt den Staet,
Als ít zout der burgerijen,
      En stelt het volck een maet;
Geluckigh zijn die tij en.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001