Joost van den Vondel (1587-1679)

SALMONEUS

HET VIJFDE BEDRIJF.

FILOTIMIE. PIZANERS.

FILOTIMIE.

Jupijn Salmoneus, nu gekent in zijne waerde,
En volle majesteit, door díofferande op aerde,
Zoo past het Juno mede aen dit Godinnendom
De heerschappyen van haer koningkrijcken om
Te deelen
naer den eisch. Getrouwe feestgenooten
Die nu de rijckste kroon der Godtheit ziet geslooten
Om mijn alwaerdigh hooft, hoe zoude ick, in dien schijn
Van eere zonder gade, u niet gedachtig zijn!
Den grootsten voeght het eerst gedienstigheÍn tíerkennen.
Gy Venus zult de duif en uwen wagen mennen
In Cyprus uw gebiet, daer elck uw tortsen voelt.
IdaliŽ, Amathunte, en Pafos zal ít gestoelt
Van uwe Godtheit zijn: het Priesterdom, met huiven
En roozen om het hooft, u musch, en zwaen, en duiven
Toewijden op ít altaer, oock maght van wieroockgeur.
Uw Godtheit wort geviert de gansche weerelt deur.
Gy zult geslachten door hunne afkomst onderstutten.
Gy Pallas zult de steÍn met speere en schilt beschutten,
Waerin Medusaes hooft van zwarte slangen krielt.
Athene, door gewelt noch vyantschap vernielt,
Zal u in kercke en koor met blonde olyven eeren,
En onder uw gezagh veele eeuwen triomfeeren.
Diane, ontfang te leen bosschaedje, en wildernis,
En bergh, en dal, en ít Wilt, dat u geheilight is.
Men zal het wufte wilt, met pijl of net gevangen,
Of winthont, in uw kerck aen ít hoogh gewelfslotí hangen,
En wijden hart en hinde en zwijn uw Godtheit toe.
Maer wie komt ginder, uit zijní adem, mat en moÍ
Geronnen
, en verbaest het feest der Goden storen?

PIZANERS.
Och, Elis Elis! och, nu is uw ramp geboren!
FILOTIMIE.
Het zijn Pizaners; hoort, wat jaeght u herwaert aen.
PIZANERS.
Och, Elis Elis! och, hoe wil dit feest vergaen!
Jupijn behoÍ de stadt, en ít Rijck, en alle vroomen!
De Goden hoeden ons, of ít is hier omgekomen!
FILOTIMIE.
Wie zijt gy, die de vreught der groote Goden steurt?
PIZANERS.
Wy bootschappen het hof wat daetlijck is gebeurt.
FILOTIMIE.
De Godtheit triomfeert op haren zegewagen.
PIZANERS.
Salmoneus is, helaes! van Godt Jupijn verslagen;
De Koning is een lijck: Salmoneus leghtíer al.
FILOTIMIE.
Wat stroit de Faem niet uit, de boosheit te geval!
PIZANERS.

Wy wachtten by de sluis of Godtsbrugh met verlangen.
Daer Elis borgery, om hunnen Heer tíontfangen
Gereet stont, en het volck krioelde en tízamendrong
Díeen ingetogener, en díander los van tong.
Zy duiden vast dit feest ten slimsten, of ten goede,
Daer zomtijts muitery en oproer onder broedde.
Ontzagh hielt evenwel de menighten in toom.
De midnacht quam vast aen, en koesterde den schroom,
En naerheit: het gestarnte aen ít hooftpunt stont gesteegen,
Wanneer een straetgerucht luidskeels, van alle wegen
En wijcken opstack: wijckt, ruim baen, de Koning komt:
Hy treckt den Melckwegh door; de meesten staen verstomt
Van angst, en vreezen vast voor onheil onder ít hoopen.
Verbaesde wijven voort aen ít schreeuwen, voort aen ít loopen.
Ten langeleste komt de sleip en staetsi voort:
De hofbende is hier díeerste om door de hemelpoort
Te trecken, en zy bralt met haren blixemstandert,
Gevolght van Hierofant; toen ít hooge hof,verandert
In Goden, ieder voert zijn teken, en zijn draght.
Salmoneus treet gelijck Jupijn, na deze pracht,
Verdooftze in majesteit, en eere, en glans, en luister
De blixem is zijn staf, die schooner straelt by duister,
En Bazilides volght op ít koningklijcke spoor.
De hoftrouwant bestuwtze, een ieder geeft gehoor,
En luistert in de stilte, om op ít gevolgh te letten.

FILOTIMIE.
Wy letten op ít gevolgh.
PIZANERS.

                                    De zuivere trompetten
Verhieven een geluit, dat aen den Hemel klonck
Zoo dra Salmoneus trots te wagen steegh, en blonck
Om hoogh, gelijck een Godt, daer duizenden van zielen,
By ít heerlyck sluisgewelf voor hem ter aerde vielen.
De priesters zwaeiden hem voor ít outer wieroock toe.
De gansche hofsleip wert geroep noch juichen moÍ.
De fackels bloncken klaer, en gaven een gefloncker
In ít Goddelijck gewaed, dat schooner scheen by donker.
De dertle paerden staen en knabbelen het gout
Van ít knarssende gebit, en brieschen, trots en stout
En moedigh op dien Godt, als die zijn Godtheit kennen.
Zy trappen van verdriet, om eenmael voort te rennen.
De nieuwe GoŰn bekleÍn in orden van weÍrzy
Salmoneus wagenpracht.

FILOTIMIE.

                                       Dat voegt dien Godt, en my.

PIZANERS.
De Koning, by Jupijn in Majesteit geleecken,
Gebiet ten derdemael de feesttrompet te steecken.
Men hoort een stem: valt neÍr! valt neÍr, aenbidt Jupijn!
Een ieder knielt in ít stof, de huichlaer met eení schijn
Van rechte eerbiedigheit, kornetten en schalmeien
Bestemmen ít maetgezangh van uitgeleze reien.
De paerden op dien toom aen ít draven op de sluis.
Men hoort een knarssende en een klinckende gedruis,
De paerdehoeven op ít metael, de goude raden,
Met dien vermomden Godt in zijn triomf geladen,
Vermengen hun geknars in al dit ongeluit.
De Godtheit van Jupijn ziet hem ten oogen uit.
Hy weet, met zijne vuist en gloeiendige vingeren,
Den blixem in den drang en ís volx gewoel te slingeren,
Dat al de stadt verschrickt, en siddert om hem heen.
Maer wat gebeurtíer flux? De Godtheit komt beneÍn
Gedondert uit een wolck, recht aen op ís Konings wagen,
Die schrickt, in zijn triomf gedootverft en verslagen.
Zoo dra wy Godt Jupijn op zijnen Arent zien
Verschijnen, vallen wy op ít aenzicbt, op ons knien,
Ter aerde; daetlijck berst een onvoorziene donder
Vervaerlijck uit de wolcke, en treft afgrijslijck onder
De paerden, en hunní heer, die schiet op zijnen rugh
Gezwint ten wagen uit; de paerden, op de brugh
Aen ít hollen, rucken voort, de wagen, door dit rucken
Dit schocken langs de straet, gebroken, en in stucken,
Berooft van wagenaer en toom, vergeet zijn vaert,
Verstroit zijn ysren raÍn; de paerden, trots van aert,
Die vier en vlam en gloet noch strax ten beck uitspoogen,
En blixems schooten uit het blickren van hunne oogen,
Aen ít sneuvelen, met kracht uit hun garreel gespat.
De Koning geeft den geest, geplet van ít gloeiend radt,
FILOTIMIE.

Och och, Pizaners! och, waer bleef mijn uitverkooren?

PIZANERS.
Het volck geraeckte voort aen ít hollen, heet van toren.
Apollo, Mars, Merkuur, het nieuwe Godendom,
De hofsleip, elck verbaest zagh naer zijn hielen om,
Geborgen in dien drang, of hallef doot gedrongen,
Gelastert en gevloeckt, van overal besprongen.
De wraeck des oploops rande om strijt den dooden aen.
Had Bazilides niet het lijck den onderdaen
Ontruckt, de Koning waer, als Hierofant, gereeten;
Verscheurt van lidt tot lidt, en in den stroom gesmeeten.
Hy stilde ít oproer met zijn benden, hier gereet,
En wondt het warme lijck in ít pluimaluine kleet,
Dat Etnaes gloet verduurt, en liet het, onder ít krijten
Der woelende gemeente, op díofferstapels smijten.
Toen stack de lijcktorts voort den brant in ít hout, gewijt
Voor dí offerstieren: maer de hemel scheurt en splijt,
En schiet den blixem in de lijckvlamme uit den hogen
Wie kent den blixem niet, wiens gloet, van groot vermogen
De scheÍ des zwaerts verschoont, door ít leder heenedringt,
En ít fijnste lemmer, daer de vlam en vonck uit springt,
Tot stof en gruis verteert? De lang geterghde vader,
Verslont geraemte been, en zenuw, vleesch, en ader;
Zoo datíer van het lijck niet anders overschoot
Dan díassche, die men ras in eene dootbus sloot.
Door zulck een offer raeckte al díoploop aen ít bedaren.
Zoo liep dees treurrol af. Jupijn wil u bewaren!
FILOTIMIE.
Waer bergh ick ít leven nu? Salmoneus, och, mijn Heer,
De hoop is uit met my; mijn kroon, mijn staet, mijne eer,
Mijn troost is eenen storm al teffens dus verloren.
Och, beter noit tot staet en majesteit geboren!
Salmoneus, och, ick heb u reuckeloos verraÍn,
Vervoert om naer de kroon van Jupiter te staen.
Men wijte my uw ramp: ick, ick heb u bedorven!
Waer nu in ballinschap de weerelt door gezworven?
Hier is geen vrijburgh, noch geen toevlught in der noot.
Helaes, waer bergh ick my? waer vlught ick voor de doot?
Het graeu genaeckt; helaes, wie broght dien vorst om ít leven
Want Jupiter heeft hem dat vier niet toegedreven:
Een koningsmoorder, schuim van ít helsch en nijdigh volck
Heeft ergens, uit de schim van een gemaelde wolck,
Hem met een hantgranaet op ít beckeneel gekloncken:
Nu schuift men ít op Jupijn; waer vinden wy speloncken.
Ene kuil, eení schuilhol, naer en droef genoegh voor my?
Maer neen, Salmoneus leeft in volle heerschappij
Hy roept ons (hoortge niet?) uit zijnen troon naer boven
Mijn lief, ick koom, ick koom; geen weereltlijcke hoven
Verquicken my om laegh; mijn heer, ick koom, ick koom!
Waer zijn we? suffen wy? is ít waerheit, of een droom?
Wat baet my nu mijn pracht, de bondel pauwepluimen?:
Nu zijt gy Juno niet; gy moet uw Rijcken ruimen!
Wat baet my deze kroon op ít hooft? Daer leghtze in ít stof!
Men trapze met den voet; Ű Godtheit zonder lof,
Legh af dien mantel, die wil nu geen weduw passen.
De majesteit heeft uit: zy zijn ít gezagh ontwassen.
Men daghvaert ons ter straffe; o onderaertsche  GoŰn!
Waer dwaelt mijn heer? mijn lief, waer heene nu gevloŰn?
PIZANERS.

Staetjuffers, volghtze in ít hof: het gaet haer aen de zinnen,
Die hoeven rust; gaet voor: wy spoeden oock naer binnen.

BAZILIDES. REY VAN PRIESTEREN. THEOFRASTUS.

BAZILIDES.

Stantvastigh Priesterdom waeck op! waer schuilt gy nu?
Waeck op, schep moed! Jupijn de vader hanthaeft u.
Hy heeft ter goeder uure uwí ongelijck gewroken,
Zijn out altaer beschut; geen maght heeft hem ontbroken.
Een felle kerckstorm is u over ít hoof ít gewaeit.
Eerwaertste vader, hoe is dit tooneel gedraeit!
Dat leert den Dondergodt naer zijne altaerkroon steken,
Wiens blixemschichten gloet noch vier noch kracht ontbreken.
Ick breng de heilooze asch beslooten in dees bus,
Salmoneus overschot, Salmoneus, die noch flus
Verwaten heenetrok om Jupiter te speelen!

REY VAN PRIESTEREN.

Groot groot is Jupiter!

THEOFRASTUS.

                                   Hij hanthaeft Zijn beveelen
Orakels, offereer, en tempels, hoogh gebouwt.
Hy eert het priesterdom dat Hem in eere houdt.
Hy eert zijn priesterdom, en kercken, en altaren
Dat leert het weereltsch hof zijní staet en ampt bewaeren.
Nu blijckt het watíer van dees Godtheit overschiet:
Die Godt braveerde is nu een hant vol stof, een niet!

BAZILIDES.
Waer nu met deze bus, dit dootvat, best gebleven?
THEOFRASTUS.
Wie Godt onteert, verdient geen eere na dit leven.
Koom herwaert, Diodoor ! aenvaert dien offervloeek,
Die godtlooze asch, en stopze in eení vergeeten hoeck
By ít noorder kerckpoortael, en aen de slinke zijde
Van ít kerckhof; dat dees bus den tempel niet ontwijde:
Bestulpze met eení zerck; wie Jupiter veracht
Verdient geene eer by Godt, noch ít priesterlijck geslacht.
De Godelooze ziel, ten lichame uitgedrongen,
Met eenen sprongk zoo diep in ís afgronts poel gesprongen,
En voor den rechterstoel van Radamanth gedaeght,
Deist tíelckens achterwaert, terwijl Megeer haer jaeght
Ter vierschaerí met de zweep, om haestigh te verschijnen,
Op ít jammerlijck geluit van hondertduizent pijnen,
Geknars en ketenklanck de dolle reuzerot
Verwacht met smert de komst van dien verdoemden Godt.
BAZILIDES.
Wat wil dat hofgeschrey, dat bonzen, en dat kraecken?
Hoe spreit die nare galm zich over alle daecken!

PIZANERS. THEOFRASTUS. BAZILIDES.

PIZANERS.
Och, Theofrastus! och, om Jupiter, om Godt,
Och bergh dit Rijckscieraet! Het hof, het Godenslot
Wordt door het hofgezin van zijnen schat geplondert.
ít Gezagh heeft uit: de vorst, het hooft, is doot gedondert,
De Koningin geworgt aen eenen gouden strick.
THEOFRASTUS.
Hoe langh Jupijn vertoeft, een eenige oogeblik
Betaelt de schennissen en tempelschenderyen.
Dat leert den Godtsdienst en Godts heilighdom ontwyen.
Hoe quam de Koningin aen dit rampzaligh endt?
PIZANERS.

Zy had den rou beklaeght, en hare schult bekent
Voor Jupiter, en sloegh van druck en schrick aen ít razen.
Men leitze in ít hof, of rust en stilte haer genazen.
In ít eenzaem kabinet, op eene ledekant.
En vintze flux geworght, gestickt aen dezen bant.
Geen geur, noch artseny, noch kruit herbaerde ít leven.
Op deze maere schijnt het gansche hof te beven,
Te dreunen van ít gekerm; het troostloos hofgezin
Vlieght razende en verbaes ít de zalen uit en in,
Niet anders of de stadt en ít hof, in rouw gedompelt,
En van erfvyanden verweldight, overrompelt,
In brant stont, en de vlam, door alle straten ras
Geslagen, noch van Godt noch mensch te blusschen was.
Wat kon er tegen staen? daer was gezagh noch orden.
Elck volghde zijnen lust en moedtwil, die hen porden.
Een ieder vlamt op roof, en rooft, en grijpt en vat.
Kleenoodie, kostlijckheid, juweel, gesteente en schat
Wordt buit verklaert; men valt aen ít plonderen, aen ít stroopen.
Men ramt de kamers op, de sloten springen open.
Wy bergen naulix noch den scepter, en de kroon,
En ít Koningklijck gewaet.

THEOFRASTUS.

                                          Dat u Jupijn belooní
Voor dien getrouwen dienst; men moet hier orden stellen,
Of hof en tempel valt ten roof voor ís rijcks rebellen!
Heer Bazjiedes, neem de kroon aen, en het Rijck!

BAZILIDES.
Genade, Aertspriester, och verschoonme: met wat blijck
Of glimp van wettigheit kan ick de kroon aenvaerden?
Hoewel de Koningen van hunnen stam veraerden,
Noch magh geen onderdaen zich zetten in dien Staet
Door onderkruipingen, of reuckeloozen raet:
Men dient den breeden Raet en ít volck hierop te hooren.
Ick heb den Koning en het Rijck mijn trouw gezworen,
My met gestaefden eedt verbonden aen den staf
Van Elis, die dit volck veeie eeuwen wetten gaf.
Ik vlam op kroon noch troon, maer wensche met mijne armen,
Gelijck eení vryen Staet, díEliders te beschermen.
Dat voeght eení Oppervooght des volcks, en op dien voet
Vernoegh ick allerbest de drift van mijn gemoedt.
Men stellí den Staet voortaen aen ít keurrecht, niet aen erven:
Dewijl de Deught verhuist, en dickwijl by ít versterven, (*)
Tot onheil van ít gemeen, veranderingen baert.
Zoo wordt het weesdom van dees heerschappij bewaert.
THEOFRASTUS.
Gy spreekt godtvruchtig: maer wat vordert uw verschoning?
Dees lantsaert eischt een hooft, een opperhooft, een Koning.
BAZILIDES.
Een eenigh hooft vervalt te licht tot dwinglandy.
THEOFRASTUS.

By ít Koningsdom geit eer.

BAZILIDES.

                                           Een rechte slaverny!
Het Recht des voicks wordt best bewaert by veele mannen.

THEOFRASTUS.
Als die veraerden, dan gebieden veel tirannen
In plaets van een!
BAZILIDES.

                           Is díeen of díander luttel vroom,
Zoo houdt de menighte den boosten by den toom,

THEOFRASTUS.
En als de menighte gesplist zit door krackeelen?
BAZILIDES.
Dan zit de Staet gescheurt.
THEOFRASTUS.

                                          Wie kan die scheuring heelen?

BAZILIDES.
De reden, en de tijt.
THEOFRASTUS.

                               Terwijl vervalt de Staet
Van quaet tot erger, en tot een onheelbaer quaet.

BAZILIDES.
Dan vint de kranckheit zelf eene uitkomst in díelende.
THEOFRASTUS.
Dan zieltooght al de Staet, en díarts verwacht het ende.
Is dees een opperhooft, zoo schaft hy tydigh raet,
En middel.
BAZILIDES.

                  Is ít een hooft, dat Zijne kunst verstaet: (*)
Maer dwaelt dit eene hooft zoo dwalen al de leden.
Een eenigh voorbeelt is ít bederf van tucht en zeden,
Of díopgang van de deught; men vrage ervarenheit:
Zy geeft van hant tot hant het zekerste bescheit:

THEOFRASTUS.

Dat Monarchyen verrí den vryen Staet verduuren. (*)

BAZILIDES.
Men gunne my wat tijts, ten minste weinige uuren!
Eerwaertste vader, kan ít uw heiligheit verstaen,
Ick zal met mijn gemoedt hier op te rade gaen,
THEOFRASTUS.
De hooge noot eischt spoet, verbiet dit uit te zetten.
Wanneer ít de noot vereischt, dan zwijgen stijl, en wetten.
Zoo gy dit weigert, nu dees storm van oproer brult,
En ít Rijck verslinden wil, wort u alleen de schult
Van ít algemeen bederf met reden toegeschreven,
De kerckpilaer zal dees verkiezing steunsel geven,
En stutten uwen stoel in aenstoot en gevaer.
BAZILIDES.
Eerwaertste vader, och, dit pack valt veel te zwaer
Voor mijnen zwacken hals: nochtans op uw behagen
Ontzegh ick niet dien last, tot heil des lants, te dragen.
THEOFRASTUS.
Zoo zweer dan heilighlijck den Godtsdienst, en Jupijn.
BAZILIDES.
Wy zweeren Gode en u en ít Rijck getrou te zijn.
THEOFRASTUS.
Godtvruchte Helt, en hooft der hoffelijcke benden,
Treck aen dit rij xgewaet, en vly het om uw lenden.
Het Rijck is zonder oir: het kent geení trouwer vrient.
Gij hebt Jupijn oprecht, Godts volck getrouw gedient.
Nu kniel: aenvaert dien staf, en hanthaef Elis wetten
Ontfang dees kroon op ít hooft, en wacht u haer te smetten
Door ongodtvruchtigheit, of wreede dwinglandy
REY VAN PRIESTEREN.
Leef lang, heer Koning: Heil met uwe heerschappy!
THEOFRASTUS.

Hoe kan Jupijn den staet der trotsen ommekeeren!
Hy eert ootmoedigen, die zijne Godtheit eeren.
Wat is Salmoneus nu? een bus, een hant vol stof,
Filotimie een lijck, een stanck van stadt en hof!
Heer Bazilides wort op ís Konings troon geheven.
De Godtsdienst triomfeert, wanneer de boozen sneven.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001