Joost van den Vondel (1587-1679)

SALOMON.

EERSTE BEDRIJF.

WETGELEERDE
Gij kwaamt dos verre van het Zuiden, daar de Kreeft
De Mooren verft, de boom zoo weinig schaduw geeft,
En woudt (geensins vernoegd uw koningin te hooren)
Uw eigen oogen meer gelooven dan uw ooren;
Dies toonde ik is de stad, en wat men toonen kon,
Den tempel en het hof van koning Salomon,
Met al zijn heerlijkheid. Gij hebt, naar onze zeden,
Gelijk uw koningin, ons Godheid aangebeden;
De vruchten van uw land vereerd aan Gods altaar.
Nu eischt ge voor het leste (och, och! het valt me zwaar;
Is t vreemd, indien me t haar van schrik te berge rijze?),
Dat ik hierbuiten is den nieuwen tempel wijze,
Waarover al de stad nu kwijnt, en treurt, en steent.
Daar staat dat gruwelstuk, om twelk een ieder weent,
De vaders en het volk; daar ziet gij t voor uw oogen,
Ten schimp de. waren Gods, voltrokken en voltogen;
En kunt uw koningin getuigen met uw mond
Hoezij derVorstan zon op haren middagstond
En op haar hoogste zag; gelijk alle aardsche dingen
Hier onderworpen zijn zoo veel veranderingen,
En beurten; en men t al, wat lager dan de maan
Gesteld werd, op zijn tijd ziet wassen en vergaan.
Het opperste geluk, dat wij met vreugd aanschouwden,
Is niet gewoon zijn hof op ne plaats te houden,
Dan voor een korte tijd. De mensch, te bros van stof,
Mag kwalijk tegens weelde en al te groot een lof.
De priesters zijn ontrust; wij Wetgeleerden momplen.
Men dreigt van hier de stad en Godsdienst t overromplen
Met valsche en vreemde Gon. Wij zien t gebouw vast aan,
En schrikken tegens dat de kerkdeur op zal gaan.
De grijze koning zit belegerd van zijn vrouwen,
En suft in dezen hof. Wat onheil zij ons brouwen,
Zal blijken t zijner tijd. Maar blijf een luttel staan:
Hier komt nu Benajas, het hoofd der lijfwacht, aan;
Bij wordt om strijd begroet van hoplin en kornellen.
Het schijnt hier valt wat groots, wat wichtigs te bestellen.
BENAJAS.

Tot aanwas en ten dienst van s Vorsten heerlijkheid
Is t oorbaar, dat het volk, twelk om den lusthof let,
En in dees voorstad waakt, in huizingen en tenten,
Versterkt werde uit het hof met d andre regementen.
De koningin heeft lust van deeg den spiegelstrijd
Te zien voor t mirtewoud. Gaat hene dan, en kwijt
U daatlijk naar den eisch, en helpt de vreugd vemeeren.
Dees vrouwestaatsie mag geen wapenpracht ontberen.
Laat vol staan al de macht des vosks, te voet, te paard.
Zoo wordt geen schat verkwist: de koning is het waard.
Al t goud en zilver schijnt om Salomon geschapen.
t Hoefijzer klink van goud. Nu blinke schild en wapen
En harnas in de zon, daar t heer gewapend staat,
Gelijk een gouden berg. De ruiter en soldaat
Vertoone een regenboog van parlen en gesteente.
Zoo blijk het, hoe de schat der bloeyende gemeente,
En al die rijkdom, ons van Oost en West vereerd,
Besteed zijn aan dit hof, daar Davids zoon regeert.

ITHOBAL, WETGELEERDE.

ITHOBAL.

Gij, Jongelingen en Hofjoffers! uitgekozen
Om, met vergulden mirt en witte en roode rozen,
Het feest van Astsroth te kronen, als men plag
Te Sidon, in ons land; gaat, haalt nu voor den dag
Al wat gij gistren vlocht, brengt kransen, brengt festoenen!
Men zal Astartes kerk inwijden, en verzoenen
Haar Godheid met een geur van bloemen, loof, en kruid,
Met schaal en wierookvat. Gaat, stort uw harten uit,
Dees Hemelsche Godinne en dit gewelf ter eere!
Indien men, naar den eisch, haar woud en kerk stoffeere,
Eu rijkelijk bbehange, uit een godvruchten geest,
Zij zal genadiglijk de jonkheid op het feest
Belonken van t altaar, en minnelijk bejeegnen;
Zij zal uw jaren mild met spoed en wasdom zeegnen,
En schoonheid en geluk. Wie zich voorbarig toont
Ja t sjvren, zendt ze niet naar huis toe cnbeloond.
Ga bene, schoone jeugd! gij kent uw wakkre leden,
De bloem van uwen tijd, niet heiliger besteden
Dan in Astartes dienst. Betrouw het Ithobal,
Haar priester, toe, en volg wat hij te raden zal.

WETGELEERDE

O zuivre Mei-zon! die de heuvels en de dalen
Rontom Jeruzalem beschijnt, en uwe stralen
Komt spiegelen in t goed des tempels, en het dak,
Waarop nooit vogel rustte, en dat noch smet noch vlak
Kan lijden, kunt ge wel dien gruwelherg gedoogen,
En zonder deizen zien, hetgeen we met ons oogen
Aanschouwen? Kunt ge wel, met uw doorlouterd licht,
Bestralen dezen vloek, die gruwelen verdicht,
Den Hemel tergt en trotst, en Gods gewijden drempel?
Of acht ge, dat men God en Afgod elk een tempel
Mag bouwen, zonder smet en zonder onderscheid?
En is uw glans van t licht, daar gij uw majesteit
Van licht en glans uit schepte, alre zoo wijd verbasterd,
Dat gij met deizen niet dees gruwelkerk verlastert,
Of uw gezicht bedekt met eene donkre wolk,
Ter schande van dit schalk en stout Sidonisch volk?
Geen volk, maar een gedrocht van adderen en pesten,
Die deze booze lucht en stank om Arons vesten
Verspreyen, daar gewis een sterfte op volgen zal,
Een woestheid en bederf en gruwzaam ongeval,
Tenzij het God verhoede, en priesters, en Levijten,
Profeet, en Wetgeleerde, en burgerij zich kwijten,
Gelijk hunn ijver past. Wat hoort, wat ziet men hier?
Uitheemsche schoonheid! och, wat staat gij Juda dier!
Wat komt Jeruzalem nu over, en den mannen
Van Juda, die den boog voor God en godsdienst spannen!
Wat komt ons Priesterdom nu over, wien de schat
Des offers, en de geur van Arons wierookvat,
En al wat aan den dienst des Heiligdoms mag kleven,
Is toebetrouwd! Hoe, wordt Gods glorie nu gegeven
Aan Jacobs schandvlek, eeu Fenicische afgodes?
Och! schrei een heele zee valt bittre tranen; lesch
Met mij dees vuile vlam, eer zij beginn te bleken,
En uit de voorstad vliege, en sla in Sions daken,
Ja, over t gansche land, uit leggc al t rijk in d asch!
Och, Moorenlander! och, gij komt hier, recht van pas,
Een schennis zien, waarvan al t aardrijk zal gewagen.
O boek, o heilig boek! men plag u raad te vragen,
Te luistren naar den mond der Wetgeleerden; nu
Versmaadt men God en ons, en niemand hoort naar u.

ITHOBAL.
Wat mompelt deze Jode uit zijn verdwaalde boeken?
Moet hij, die andren leert, nog eerst de wijsheid zoeken,
Zoo dwaalt het bede school, terwijl de meester dwaalt.
WETGELEERDE

Gij, Sidonirs! die dicht aan Palestijne paalt
Met uw gebied, maar wijd en Verre zijt gelegen
Van onze Wet, en volgt verkeerde en kromme wegen,
Waarom vermeet gij u, dit schriklijk misverstand
Van blinde gruwelen in dit geheiligd land
Te voeren, daar de grond geen vreemd altaar kan dragen?
Het past geen vreemdeling de burgerij te plagen,
En ingeborenen te tergen door een smet
Van nieuwighen. Gij moogt ons Goddelijke wet
Niet breken, door een Wet naar uw vernuft te smeden.
Indien uw dwaling staat te stuiten door gebeden,
Zoo bidde ik: steek uw werk en opzet, om den tijd,
De plaats en t volk, hetwelk geen nieuwen godsdienst lijdt.
Het staat uitheemschen vrij, Gods tempel te bezoeken,
Hun gaven herrewaart, van verre uit vreemde hoeken,
Te brengen; maar een kerk te stichten tegens God,
Te buigen voor een pop, een beeld van Astaroth;
Geloof, dit heet bij ons den dienst der Godheid schennen.
Wij dienen nen God, een Godheid, die wij kennen;
Wij stellen nen God in top. Wie neffens Hem
Een andre Godheid eert, die kan Jeruzalem
Niet laten ongevloekt; gelijk de mond ons leerde,
Die onze Godheid sprak, ja, met dien God verkeerde,
Als een gemeenzaam vriend met zijnen trouwen vriend.

ITHOBAL.

Een iegelijk zie toe, en wete wien hij dient;
Wij zijn gerust in t onze, en nooit hiervan verbasterd.
Dat gij ons Godheid heet, vervolgt, vervloekt, en lastert,
Ontdekt uw misverstand. Wij hooren, hoe gij haat,
Veracht, en schent hetgeen uw ijver niet verstaat.

WETGELEERDE

Gods wijsheid zwichtte nooit voor s menschen brein en zotheid,
Die bidt haar droomen aan, en een gedroomde Godheid.

ITHOBAL.

Men houde Tyrus en ons Sidon niet zoo slecht,
Dat het een Godheid diene, en heur altaren recht
En kerken bouwe alom, op t land unie de steden,
Die niet met recht verdient te werden aangebeden,
En dat men haar een woud toekeuren zoude, en voort
Vereeren met al tgene een Godheid toebehoort.
Neen zeker, ons Godin en Koningin Astarte,
Door Syri gediend, neemt ons geben ter harte,
En zegent rijk bij rijk met vee en vruchtbaarheid;
Hetzij men top t gebergte of in de beemden weid,
Of s winters zette op stal, men kan het naauwlijks tellen.
Al t voedsel dijt tot melk, waarvan de jadders zwellen.
Astarte zegent hof, en huis, en huisgezin.
Zij kweekt de jonkheid aan, de schoonheid, en de min,
Zij troost ze met een lief, die bleek van minne kwijnen,
En komt ze ook en den droom verkwikken en verschijnen.
Aanschouwde gij haar beeld en schoonheid en gelaat,
Zon levendig, zoo schoon, gelijk ze op t outaar staat,
Gij wierpt die boeken weg, en uw Hebreeuwsche brieven,
En zoudt op dees Godin verslingren en verlieven,
Ja, wenschen t oude vel te wisslen, als een slang,
Om, in herboren schijn, en t midden van t gezang,
Haar met den Aziaan het wierook toe te zweyen,
En met uw Koningin de staatsie te geleyen.

WETGELEERDE

Dat hoede God! dat keer de rechte Zegenaar
Van menschenen van vee, en elk saizoen van t jaar!
Hij zegent berg en dal, met zon en dauw en regen.
De herder drijft vergeefs zijn kudde langs de wegen;
De landman ploegt en zaaie vergeefs, en zonder vrucht,
t En zij Zijn milde hand hem zegene uit de lucht.
Het korenveld, d olijf, de wijnstok met zijn ranken
Voor olie, graan en druif, den milden God bedanken.
De huizen loven God met eene dankbre stem.
Gezondheid, kinders, schat, het vloeit alleen van Hem.
Sla Mozes op, die bij de kloeke Egyptenaren
In t hof was opgevoed, in wetenschap ervaren
En kunsten, ja, van God en Engelen geleerd,
Waarmede hij zoo lang gemeenzaam heeft verkeerd,
En ons uit hunnen mand tien Godsdienst en de zeden
Gewezen. Mozes Wet en regel t overtreden,
Een Heidensche godin te brengen op de baan,
Waar zulk een wijzen man, ja, God te kort gedaan!

ITHOBAL.
Aan Mozes wijsheid acht zich Sidon niet verbonden;
Fenicie heeft zelf de letterkunst gevonden,
Den vond van zijn vernuft heel Grieken bijgezet,
De wereld omgezeild, en t uitheemsch brein gewet.
Fenicie verstaat de maten en getalen.
Het slaat de starren g, die vast staan ofte dwalen,
En weet bij nacht zijn pad te vinden door de Zee.
Het wijkt Egyptenaar, Araber, noch Hebree,
In kennisse en verstand; en sleet, door oorelogen
En godsdienst, op zijn borst het uiterste vermogen
Van al uw heerkracht; zulks dat gij geraden voedt,
Met dit zeeghaftig volk een eeuwig vreeverbond
Te sluiten, en uw Rijk te sterken met geboren,
Die vaster door hun deugd, dan door hun hooge muren
Gegrond staan. Wie nog schrikt voor onraad en gevaar,
Twee zuilen stuiten ons: de wapens en t altaar!
WETGELEERDE
O, ijdel toeverlaat van outer en van wapen!
Zoo lang gij u zoo blind aan Afgon blijft vergapen,
Aan stomme en blinde en doove en reukeloozen Gon.
ITHOBAL.

Wij eeren een Godin.

WETGELEERDE

                                D Onkuische, van Adoon,
Een Koningsaterling, en zijne min bezeten?

ITHOBAL.

Tot dat hij van het Wild zoo deerlijk wierd verbeten;
Waarom ons joffers nog met een bedrukten geest
Zijn lijk betreuren, op het jaarlijksche offerfeest,
Wanneer het jaargetijde in bloed verkeert de vlieten,
Die uit het cederbosch van Liban zeewaart schieten:
Een wonderteeken, twelk de Joden overtuigt,
Dat elk met reden zich voor onze Godheid buigt.

WETGELEERDE.
Gemeenlijk wordt de verf des vliets den grond ontnomen,
Waarover t water komt ten dele nederstroomen,
En zich met aarde mengt, en neemt haar kleuren aan,
Als elementen, die elkandre best verstaan,
Zoo schijnt Adonis rood, als d aarde komt van boven
Uit Liban, voor den wind, in zijne kil gestoven;
Dan verft het stof den stroom. Is dit een wonderwerk?
En bouwt gij op dien grond Astartes feest en kerk?
ITHOBAL.

Haar lof wordt aan den Nijl, en bij Syrirs gezongen,
En bij den Filistijn, en allerhande tongen.
Het Oosten, nimmermeer van haar te dienen mo,
Treedt herwaart, wijd en zijd, en brengt ze gaven toe.

WETGELEERDE

Men brengt ze gaven toe, maar hij gebrek van oordeel,
De blinden voeden s volks verblindheid om het voordeel,
Een Afgod neemt en eischt met ope hand nog meer,
Hij sluit ze voor hun bede, en zegent nimmer wer.

ITHOBAL.

Gij zijt niet afgerecht op ons geheimenissen.

WETGELEERDE

Die schamen zich den dag, en mogen t licht wel missen.

ITHOBAL.

t Hebreeuwsch geslacht waardeert zijn Godsdienst naar zijn zucht,
Doch naar de reden minst.

WETGELEERDE

                                         Wie voor geen reden vlucht,
Die vliede uw gruwelen, en schendege offerande.

ITHOBAL.

Men eerde ze eertijds hier, nu acht gij dit een schande.
Aldus verkeert de tijd de zeden en de wijs.

WETGELEERDE

Zoo schik u naar den tijd en wijs, en win den prijs.

ITHOBAL.

Wat hindert u ons kerk, hier buiten, voor uw poorte?

WETGELEERDE.
De stad en al het land verfoeit een miageboorte
Van offeren, waarvan de luchten hemel ijst.
ITHOBAL.

De wolken en de lucht, die gij met smaken spijst,
En aanbidt, dommer dan alle omgelege volken?

WETGELEERDE

Wij eeren geene wolk, maar God, die uit de wolken
Ons vaderen verscheen, in steen zijn wetten gaf,
En sterkte ze met loon en datelijke straf.
Wij eeren geene wolk, maar God, die hen domme
Geleidde en voorging in een wolk- en vierkolomme.
Gij eert een Afgodin, die, aan haar bror gehuwd,
De Min en Wedemin baarde, een stuk daar elk af gruwt,
Zelf reden en natnur; en deze gruwelstukken
Verheft men op t altaar, waarvoor de blinden bukken.

ITHOBAL.
Gewis zij zijn niet blind, die Sidons Godheid zien,
En eeren de bekranste oodmoedig op hun knin.
Het blanke marmer schijnt eten glans van zich te geven.
Het beeld, heel schoon van leest, en wel zoo kloek als t leven,
Is geestig over al het lijf. Het wezen valt
Behoorlijk voor het oog. Hoe frisch is haar gestalt!
De schoone is wel in t vleesch. Wie moet het hoofd niet prijzen?
Het is eer klein dan groot. De hals behoudtin t rijzen
Zij rijzigheid en maat De schouders vallen smal
De borsten puilen uit, als heuvels in een dal
Een bolligheid verciert de zachte en lieflijke armen.
De slinke hand, geneigd de kuischheid te beschermen,
Bedekt haar voor t gezicht, dat al te dertel weidt,
En uitspat in den beemd van haar bekoorlijkheid.
Zij draagt in d andre hand een fakkel, die de stammen
Zoo lang in eere houdt, en aankweekt met haar vlammen,
Den dood en tijd ten trots. De vlechten vloeyen neer,
En spelen op den rug, als baren op een meer.
Het voorhoofd, niet te hoog, verlustigt al die vrijen,
En hopen uur op nar een uitkomst in hun lijen.
Zij schiet door t oog een gloed en vriendelijken straal
In t hart van and en jong. De mond behoeft geen taal
Te spreken, want die noodt stilzwijgende elk tot kussen.
O Goddelijke mond! gij kunt ons vonken blusschen.
WETGELEERDE

Gij dient dan ijdelijk den wellust als een God,
En geeft een vuil gebrek den naam van Astaroth.
Zoo krijgt afgodesdienst den titel van boeleeren;
En boel en afgod, bel van eenerhande veren,
Verzellen gaarne d een den andren in hun vlucht.
Zoo dekt geen mirtewoud dat schandelijk gerucht,
Daar gij, na t offeren, met dansen en banketten,
U wentelt in het slijk van die verbode smetten.

ITHOBAL.
Een iegelijk versta zijn wijze en landgebruik.
WETGELEERDE

Het is dan recht, dat hier d uitheemschheid wijke en duik.

ITHOBAL.
Men stelle dat geschil aan s Vorsten welbehagen!
Wij gaan, en zullen ons niet ongehoorzaam dragen.
WETGELEERDE

O Abissijner! nu getuig uit zijnen mond,
Hoe Sidon tempels bouwt op zulk een geile grond.
Dit is hetzelve volk, wiens ongebonde wijven
En mans, voor afgon zelfs, die gruwelen bedrijven.
Dit is het Priesterschap, dat boelen heil belooft,
In vuiligheden groeit, en God zijn recht berooft.
Dit zijn ze, die dit Rijk besmetten en beroeren,
En deze landsmet poogt de Koning in te voeren.
Maar gaan we naar de stad. Mij dunkt, Jeruzalem
Loopt uit, op dit gerucht, met een bedroefde stem!

REI VAN JERUZALEMMERS.

KEER.

Nu opgebroken naar Egypten,
En t juk, dat wij door zee ontslipten.
Dit heet niet meer t beloofde rijk,
    Noch Jacobs wijk.
Gij, helden! hooger dan de wolken
In eere, hebt vergeefs de volken
En Heidenache afgon uitgejaagd,
    En weggevaagd;
Vergeefs behaalde Davids degen
Op Reus en Filistijn dien zegen,
En doemde d afgon tot den brand;
    Men zag het land
Vergeefs om Moab en Syrieren,
Damaskus, Geth, en Rabba vieren:
Vergeefs bezorgt Gods knecht zoo trouw
    Den tempelbouw,
En stapelt, d eene zege aan d ander,
Al t goud en zilver op malkander:
Hij wijdt vergeefs de Godshut in:
    Na een Vorstin,
Een vleister, zijnen zoon betoovert,
Een kus, een lonk al t rijk verovert.

TEGENKEER.

Hoe wil al t Heidendom nu schreeuwen,
Naardien dees Handvest der Hebreeuwen,
Van aan te bidden nen God,
    Geraakt ten spot
En schimp, en schendig wordt vertreden
Van Gods Gezalfde t hoofd der steden,
Ja, Gods gezegenden Profeet.
    O harteleed!
Waarom verworpt men Bals jukken?
Waarom de steene Wet in stukken
Gesmeten, daar men danst en speelt
    Om t kallefsbeeld?
Waarom t gesmolten kalf gedronken?
Waarom verteeren s Hemels vonken
Aarons zoons, om t vreemde vier?
    Nu Dagon hier
De goude Bondkist durf ontwijden?
O wat beleven wij voor tijden!
Hoe langzaam straft nu t Hemelsch rijk
    Zijn ongelijk!
Men raakt den appel van Gods oogen.
Ziet God dit koel aan uit den hoogen?


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001