Joost van den Vondel (1587-1679)

SALOMON.

TWEEDE BEDRIJF.

HOFJOFFERS, ITHOBAL, SIDONIA.

HOFJOFFERS.

Nu zingt Astarte lof
In s wijzen Konings hof!
Dit wij feest geeft ons rijke stof,
Haar kerk te cieren op dien trant,
In t midden van t Hebreeuwsche land.
    Behangt met mirtegroen
En bloemkrans en festoeu,
Poortaal en pijler, ons ter zoea.
Vereert de schoonste Majesteit
Uit ijver en godvruchtigheid.
    Zij zal voor zulk een deugd
Beschenken onze jeugd,
Uit haren schoot, met volle vreugd
Van wellust, die genoten wordt
Waar zij haar milden zegen stort.

ITHOBAL.

Gij, jeugd van Sidon! komt ter goeder tijd, geladen
Met uw gevlochten hoef en heilige cieraden,
Beklen het nieuw gebouw, dat in te wijden staat.
Nu pas in t ijveren op niemands schimp of haat,
Dewijl gij dus op t hoogste ons Godheid zult behagen.
Nu, ijver naar de kunst! Ai! zie, die pijlers dragen
Hoe bogen en gewelf, ter eere van dit feest,
Gewillig, zonder last; zij sterken uwen geest
In dit godvruchtig werk, en schijnen zelfs te bleken.
Ik zie Sidonia. de Koningin, genaken,
Om met de stralen van haar tegenwoordigheid
U aan te prikkelen, en door haar Majesteit
Te toomen de Hebren, die ons geluk benijden.

SIDONIA.

Mijn dochters! dat gaat wel. Wie moet zich niet verblijden,
Die uwen ijver ziet? Mijn kinders! vaart zoo voort.
Verheerlijkt vrij uw best den ingank, en de poort
Des tempels, en gebruikt, vrijmoedig zonder treuren,
De vrijheid, die dus lang geen vreemden mocht gebeuren.

ITHOBAL.

Doorluchtste Koningin! gij hebt, door uw beleid,
De zaak dus verr gebrocht, en voor uw volk bepleit
Ten hove, bij den Vorst, gelijk we nu aanschouwen.
Hij liet uit zijnen schat dees groote kerk volbouwen,
Zijn Koningin ten dienst, onaangezien de klacht,
Geschrei, en tegenweer van al t Hebreeuwsch geslacht,
Hetwelk hem t gansche jaar geweldig liep om d ooren,
En nacht noch dag verschoonde, om onzen bouw te storen;
Doch ijdel en vergeefs. Hij hield zich even trotsch
En moedig in dien storm, gelijk een steile rots,
Die op haar boezem stuit en breekt de kracht en t bruisen
Der baren, slag op slag, terwijl de winden ruischen
Uit d openbare zee, en bulderen op strand.
Nu, hoop ik, zult ge zelf, en met uw eige band,
Den Koning ten altaar gelijden, aan zijn zijde,
Opdat hij ons Godin zijn offergaven wijde.
Zoo krijgt de Godsdienst hier een vasten voet in t Rijk,
En gij een eer, waarvoor het al de vlagge streijk.

SIDONIA.
O vader, wien de zorg des offers blijft bevolen,
Gij weet, hoe heimelijk, bekommerd en gestolen,
Wij hier ten hove in t eerst ten offer mosten gaan,
Nu is ons openbaar de vrijdom toegestaan,
En, na veel moeite en smert, dit groote goed verworven.
Maar hoe? het werk is versch, de grond nog onbestorven.
Den Koning zelf ter feest te nooden, schijnt te vroeg,
En heeft zijn zwarigheid. Men lijdt het schaars genoeg,
Dat zijne Koningin bij donker henetrede,
En nog heeft zij ter nood besteken door haar bede,
Dat, onder schijn van spelen Koninklijk vermaak,
De hoofdwacht u beschutte, en hier ter ste bewaak,
Om onheil te verhon, en teffens niet te wagen
Ons zelve en t hoog gezag. Men moet zich zedig dragen.
Wie al te strenge spant, die breekt f pees f boog.
De godsdienst lijdt geen schimp, en is zoo ter als t oog.
ITHOBAL.

Uw zorgen zien te verr.

SIDONIA.

                                    Men moet geen oproer tergen.

ITHOBAL.

Ontziet ge t volk?

SIDONIA.

                            Met recht.

ITHOBAL.

                                            Men zal t den Koning vergen:
Wat let ons aan het volk? Hier geldt des Vorsten stem.

SIDONIA.

En of zich dees gemeente eens opwierp tegens hem?

ITHOBAL.

Wie durf zich, als een hoofd, dien aanslag onderwinden?

SIDONIA.
In zoo veel duizenden is licht n hoofd te vinden:
Zag David Absolon niet steken naar de kroon?
En wie kan Salomon verzekren van zijn zoon?
ITHOBAL.

Van Roboam? hem zou noch zwaard noch harnas passen.
Hij is te dom, en niet ten oorloge opgewassen.

SIDONIA.
Een domme dient zich van een kloeke, die t verstaat.
ITHOBAL.

Daar glimp noch stof ontbreekt tot oproer en verraad.

SIDONIA.

Ontbreekt hier glimp en stof, zoo zich de Vorst laat nooden
Aan ons gehate altaar, den aanstoot van de Joden?
Men roept alre, dat hij de Wet verandren wil.

ITHOBAL.

Zij roepen t niet zoo luid, maar mompelen t al stil.

SIDONIA.

En al dit mompelen geeft menig achterdenken.

ITHOBAL.

Wie kan den grooten Vorst, den Leeuw van Juda, krenken?

SIDONIA.

De zoon van Jesse temde een leeuw, der dieren Heer.

ITHOBAL.

Men schrikt, als Juda brult, zijn klaauwen reiken veer.

SIDONIA.

Wat is ontzag, uit schrik, en niet uit gunst geboren?
Dit kitteloorig volk ontziet gebit noch sporen.
Genade en weldoen trekt de menschen, zonder last.
Zoo zet een Prins den stoel van zijn regeering vast.

ITHOBAL.

De Godsdienst is een toom, om staten te regeeren.

SIDONIA.

Zoo hoede zich de Vorst den Godsdienst te verkeeren.

ITHOBAL.
Het vollek volgt het spoor en voorbeeld van zijn Heer.
SIDONIA.
Niet zonder scheuring; het geweten is te ter.
ITHOBAL.
Het vorstelijk gezag kan t oproer overwegen.
SIDONIA.
Als t oproer overweegt, dan zit de Vorst verlegen;
Dan schudt het gansche Rijk, en wat er is ontrent.
ITHOBAL.

t Is een onnoozel Vorst, die zijne macht niet kunt,
Noch weet, hoe wijd zijn staf gebieden mag en bannen.
Ontbreekt het Salomon aan middelen en mannen
En wetenschap, om elk te houden in zijn plicht?
De wereld ziet altijd den Heer naar t aangezicht,
En slacht de Zonnebloem. Wil hij zich openbaren,
Ik zie de gansche stad en endelooze scharen
Ons beeld en Heiligdom aanbidden hier ter ste:
Een Majesteit sleept hof en alle staten me
En ampten, om genot en eere. Wat de slechten
Belangt, die laten zich gemaklijk onderrechten
Van wereldschen, die meer op eigen voordeel zien
Dan, om het Heiligdom, den Goden wierook bin.

SIDONIA.

Ons dunkt, in zulk een zaak is langzaamheid van noode.

ITHOBAL.

Princes! uw ijver flaauwt. Hou valt ge nu des bloode?
Schep moed, en drijf de zaak met lust en ijver door.

SIDONIA.
En raakt de wagen eens aan t hollen, buiten t spoor?
ITHOBAL.
Het voorspook spelt wat goeds; dit zal u wel gedijen;
Vertsaag niet: tred vrij toe op onze wichlerijen!
SIDONIA.

Laat hooren, wat geluk, wat uitkomst het voorzet.

ITHOBAL.

Eer gij den eersten steen des tempels had geleid,
Vernam ik, s morgens vroeg, in t naaste dal gezeten,
Van verre een schoone wolk; doch kon terstond niet weten,
Wat uit de bergen kwam aauwemelen, zou schoon,
Als nooit genawolk verscheen, aan s hemels hoogen troon;
Totdat men endelijk, aan t roeren van de vlooglen,
Bekende, dat het was een heele vlucht van vooglen.
Van allerhande slag en pluimen ouder een,
Gelijk een regenboog; de braafste vloog voorheen,
En voerde al d andren aan; gelijk in d Oosterlanden
Hun Veldheer gast te velde, om heeren aan te randen.
Behoudens dat men hier geen vogel vliegen zag,
Die zijnen bek en klaauw op roof te spitsen plag.
Men zag er sperwer, valk, noch arend onder zweven,
Noch havik, nochte wouw, gewoon op roof te leven.
Zoo naakten ze dien berg. Hoe maal ik best den Vorst
En Koning  van de vlucht! Zijn geschakeerde borst
Geleek een hoftapijt, schat en kunst verzamen.
De staart zou met zijn pracht een pauwestaart beschamen.
Natuur hing om den hals een pluimjuweel. Wie zag
Om koninklijken hals ooit kostelijker bag?
Een lange en heldre streek van goude en roode strepen
En sprenkelen verciert den rug, gelijk geslepen
Robijn en hyacinth. Een kroon, die t licht verdooft,
Een zon, geen kuif gelijk, verguld t zijn purpren hoofd.
Zoo daalt hij met een geur van kruiden, uit den hoogen,
En strijkt, als hij den berg heeft driemaal omgevlogen,
Eerbiedig, daar gij nu dien tempel ziet gesticht.
Het geurig kruid werd fluks verslonden van het licht
Der zonne en haren gloed, tot groot vermaak dergenen,
Die hem geleidden, en terstond met hem verdwenen.

SIDONIA.
Och, of men uit dees vlucht iet zekers sluiten kon!
ITHOBAL.

De Vorst der vogelen beteekent Salomon,
De Fenix, t eenig licht der koninklijke hoven,
En ingewijd om al wat kroon draagt te verdooven.
Wat om hem zweeft, verbeeldt dit heerlijk duizendtal,
Waaronder gij, Mevrouw! de kroon spant, boven al
Wat s Vorsten oog behaagt of namaals zal behagen,
En waardig zij, den naam van koningin te dragen.
Dit voorspel noodigt u, dat gij de Majesteit
Met zijn Princessen blij beu offerberg geleidt,
En helpt Fenici dien krans van eere winnen,
Dat gij den voordans hebt van al de Koninginnen.
De spruit van Faro roept. gij moet het stuk bestaan !
De bloem van Ammon port u tot dien aanslag aan;
Het bloed van Edom trekt, en vergt dit niet gebeden;
De roos van Moab staat gereed u na te treden;
De leliestruik van Heth verwelkt, omdat men toeft;
Al d audren prikkelen, zoo gij een prikkel hoeft.
Gij Nimfen rust, en gaat! gij hebt u wel gekweten,
En geen cieeraad noch kunst aan dit portaal vergeten.

SIDONIA.
O vader! was mijn macht en ijver even groot,
Ik voerde u in de stad op t outer van den Jood.
Hoeveel een vrouwetong vermag op koningsbedden,
Wij zien ons kommerlijk door dit gevaar te redden,
Vertrek een wijl, en roep Astarte om bijstand aan!
Daar komt de Koning zelf, het moet ons wel vergaan.
ITHOBAL.
De Goden zegenen ons heilig wit ten leste,
En keuren tgeen ge vreest, naar uwen weasch, ten beste!

SIDONIA, SALOMON.

SIDONIA.
Astarte zegene en behoede Salomon,
Wiens glans en eere straalt gelijk de morgenzon.
SALOMON.
En gij kunt met uw glans het helder licht verdooven,
O wellust van mijn bedde! o bloesem van mijn hoven!
Mijn licht, mijn morgenzon, mijn frische dageraad!
Verkoeling, leschvier, brand! O hoe verkw,it, hoe gaat
Mijn hart op, als een roos, wanneer ik u aanschouwe!
Ik zwere u, hij mijn kroon en koninklijke trouwe,
Gij zult voor uweu trouw niet blijven onbeloond.
Uw schoonheid, waard gezalfd, en met een kroon gekroond,
Moet eeuwig in den troon van mijne ziel regeren,
Zoolang dees rechtehand geen schepter zal ontberen.
SIDONIA.

O Davids zoon! gij zet ons hooger, dan t betaamt
Te zitten. Het gemoed kan nimmer zonder schaamt
t Genot van zooveel deugd en weldan overwegen.
Daar staat der Goden kerk tot aan de lucht gestegen,
En heerelijk volbouwd, in t aanzicht van den Nijd,
Ons bede te gevalle, en wacht om ingewijd
Te werden. Kan een tong uw Majesteit voldanken,
En prijzen naar den eisch? O Vorst! laat duizend klanken
Van Koninginnen vrij, een ieder in haar taal,
Uw naam verheffen. Dat de gansche hemel daal,
Om uwe Majesteit op t wij-feest uit te nooden.
Hoe wenschte ik nu, dat gij, ter uure van de Goden,
De staatsie vieren holpt, en mei ten offer gingt,
Daar Sidon in het koor hun lof verheft, en zingt,
En speelt met schuiftrompet, kornet, en harp, en snaren!
Hoe zou mijn hart van vreugd dan dobbren op de baren
Van al de tonen, die malkandren ondergaan,
En volgen op hun maat, en zonder kwetsen slaan!
Mocht uwe gemalin dit eenige op u winnen,
Zij wisselde haar lot met Goden noch Godinnen.

SALOMON.
Gij, schoone! zijt ons meer dan eenen tempel waard.
Het gouden wierookvat, wiens smook beu hemel vaart,
Behoort men billijk u eerbiedig toe te zwaayen.
Het voegt ons, u met rook en offergeur te paayen,
Gij zijt gewisselijk de Godheid van t altaar,
Waarvoor mijn ziel zich buigt. Ga hene met een schaar
Van koninginnen;, ga. bewierook uw Astarte,
Wij wijden u alleen het wierook van ons harte.
Wat Godhen Tyrus eert, en hoog zet in het goud,
Uw deugd verdient, dat elk haar viert en kerken bouwt.
SIDONIA.
Verdiende ik iet, zoo laat mijn bede u toch behagen.
SALOMON.
Zooveel als Salomons en Arons kroon kan dragen.
SIDONIA.

Gelijke Godsdienst paart gelieven allerbest.

SALOMON.
Wat ongelijkheid heeft ons minnevier gelescht?
SIDONIA.
Door eensgezindheid zou dat vier noch heetcr gloeyen.
SALOMON.
Nu smilt mijn hart van gloed.
SIDONIA.
                                              Zoo zou de liefde bloeyen
En groeyen, schoonder dan uw lusthof in de lent.
SALOMON.
Dat elk van beide leef, gelijk hij is gewend.
Het valt bezwaarlijk, Wet en Godsdienst te verandren.
SIDONIA.

t Is makkelijk, n lijn te trekken met malkandren.

SALOMON.
Wij zijn elkanderen in wet al t ongelijk.
SIDONIA.

Tot nog.

SALOMON.
              De Godsdienst is de hoofdwet in dit Rijk.
SIDONIA.

Uw wil verstrekke een wet; gij moogt hier wetten stellen,

SALOMON.
Zoo wijd het God geheng.
SIDONIA.

                                         De schaal des Rijks zal hellen
Naar zulk een zijde, als gij vrijwillig kiest en trouwt.

SALOMON.
Ik koos en trouwde uw zijde, en niemands liefde houdt
Mij vaster dan uw min. Dat lief noch leed ons scheide!
SIDONIA.

En eenerhande altaar de band zij van ons beide!

SALOMON.
Des Konings liefde ziet geen ongelijkheid aan,
Maar volgt haar zinlijkheid. Zij wenscht zich te verzan
Met allerhande schoon van Blanken en Moorinnen.
Wat rijken offren ons geen keur van Koninginnen?
Maar Sidon trof ons hart met eenen minnepijl,
Nog minnelijker dan de Dochter van den Nijl.
Laat Ammon, Edom, Heth, en Moab schoonhen scheppen,
Zoo zuiver als de zon; mij lust ze niet te reppen.
Sidonia gevalt onze oogen meer dan t licht
Den Perziaan behaagt. Waar wendt gij uw gezicht,
O eedle Konings bruid? Keer herwaart aan uw oogen,
Uw duivenoogen, die, te krachtig van vermogen,
Betuigen, dat noch schild noch harnes van een huid
Den goddelijken straal, het aangenaam geweld
Der liefste schepselen kan keuren. O hoe blaken
De bloemen op uw wang, de rozen op uw kaken!
Wat bijen wenschen niet den verschen morgenstond
Van manne en honigdauw te zuigen uit uw mond!
Wat melk en honig vloeit en druipt van uwe lippen
En tonge! Welk een lucht bedauwt haar roze tippen!
Wat geest doorzweeft dat bloed, die ziel, dat levend rood!
Hoe krachtig is de Min, ja, sterker dan de Dood!
Geen water kan mijn gloed, en vier, en vlammen blusschen.
SIDONIA.

De liefde raamt geen meet in t prijzen; ondertusschen
Ontvangt mijn hart noch troost noch antwoord op zijn be.

SALOMON.
Verzoek vrij t halve Rijk, ja, kroon en schepter me,
En Ofir, tot een klomp van goud op een geklonken;
Wat Salomon vermag, het wordt u al geschonken.
Verschoon den Koning slechts in dezen zwaren eisch,
O perle van mijn krone! O kroon van mijn paleis!
SIDONIA.

Gelukkig zijn ze, die naar lijf en ziel vergaren,
En niet, gedeeld van zin, door tweedracht van altaren
En Goden, elk zijns weegs af keurig henegaan;
Daar vindt de liefde grond, daar kan de vriendschap staan,
In wederwil van nijd. naarijver, achterdenken,
En belgzucht. Lief noch leed kan zulk een liefde krenken.
Daar smaakt men eerst de vrucht dus echte, al even jong,
Ook zonder dat ze walge of wrang valle op de tong.
Daar zoet de blijschap aan, die nooit een God verveelde.
Ik noode u tot geen slang, maar een Godin van weelde,
Een blijde Godheid, die, niet wijd gezocht noch vremd,
Van d alderwijsten en Nature wordt bestemd.
Wie kan ons Heiligdom aanschouwen onbewogen?
Had steenrots, woud, en beek, als wij, gezicht en oogen,
De Cederbeek stond stil; de steenrots smolt, als was;
Het kerkwoud boog zijn kruin ter aarde toe, zou ras
Astarte haar belonkte; en schroomt ge nog, in t midden
Van t vrouwetimmer, zulk een wellust aan te bidden?

SALOMON.
Wij bidden, dag en nacht, uw beeld en schoonheid aan.
SIDONIA.

Wat heeft de Koning niet zijn bruiden toegestaan?

SALOMON.
Zeer veel, doch volgde nooit haar uitheemsche offeranden.
SIDONIA.

Zoo laat nu d eerste reis t gewijde reukwurk branden,
Tot blijk van uwe trouw! Mijn Bruidegom, mijn Heer!
Benij Sidome (bemint ge haar) dees eer
En roem niet, dat haar wensch werde ingevolgd dus verre,
En uw doorluchtste kroon zich voor onze Avondsterre
Eerbiedig nederbuig, niet meer dan ne reis!
t Verzoek is redelijk: ontzet men ons dien eisch?

SALOMON.
Gij rekent dit tot eere en roem; maar hier te lande
Gedijt het u tot haat, verlasteringe, en schande.
SIDONIA.

Mijn lof zal wijder gaan dan t licht des Hemels straalt.
Al t omgelegen volk, dat aan uw rijken paalt,
Zal juichen: lange leefde Prins en zijn Princesse!
Sidonia, leef lang! leef lang, o spruit van Jesse!

SALOMON.
Hoe dunkt n zal dit volk ons groeten te gelijk?
Hoe draagt zich deze stad? Hoe luidt de roep van t Rijk?
SIDONIA.
De groet van al het hof zal aan de sterren stijgen.
Het minste deel des volks, misnoegende, moet zwijgen.
SALOMON.
Wij zien dit verder in. Gij overschoone laat
Dit rusten. Zulk een werk eischt tijdiger beraad.
De spiegelstrijd gaat aan. Gij moogt het flus gedenken.
Wij volgen menigmaal, daar ons uw oogen wenken.
Zijt wel gemoed; wij gaan, o koninklijke Bruid!
SIDONIA.
Hij luisterde, zoo t scheen, maar kwam tot geen besluit.
Nu dient mij Ithobal zijn toeleg in te scherpen,
Om onder ons banket hem over stag te werpen.

REI VAN JERUZALEMMERS.

KEER.

Zaag David uit zijn Tombe eens op,
En zijnen grijzen zoon
Beschamen s vaders kroon,
Daar hij, gelijk een hoofsche pop,
In t buitenlandsche feest gewaad,
Met goud de lokken port,
Verijdeld en vervoerd,
Zijn rijk en godsdienst drijven laat;
In t midden van d onkuische jeugd
Der Koninginnen duikt,
Naar myrrhe en amber ruikt,
Den wellust inhaalt, als een deugd,
Met mirthen t wufte hoofd bekranst,
Den wijn met sappen mengt,
Met wijn den rei besprengt,
Die schimpende om zijn grijsheid danst,
Hij riep, van groot verdriet:
Ik ken dien nazaat niet.

TEGENKEER.

De vrucht veraart zoo van den boom,
De telg van haren stam,
Den grooten Abraham.
Zoo dwaalt een klepper zonder toom,
Een wagen zonder karrossier
Aldus aan t hollen raakt,
En nerstort, dat het kraakt.
Zoo zet n hofvonk t Rijk in vier.
Wat vordert s vaders oorlogsfaam,
Godvruchtigheid, en zorg?
Waar vindt zijn hoop een borg
Voor eenen dwazen erfgenaam?
De Heiden ho zich vrij gerust,
En t zwaard in zijne sche
Een ongesteurde vre,
Een Vredekonings vrouwelust
Vernielt, op nen dag,
Ons diergekocht gezag.

KEER.

Maar toef, na zult ge onze oorlogsmacht,
Voor t jonge mirtewoud,
Gelijk een berg van goud,
Zien flikkren in haar volle kracht;
De goude schilden in de zon
Zien schitteren, zoo schoon
Als sterren aan Gods troon,
Daar Davids helden Salomon,
Om zijn geluk bemind, benijd,
Vereeren in het veld,
In hun gelid gesteld,
Met eenen trotschen spiegelstrijd;
Dat eee. stofwolk, onder t slaan,
De heeren overdekt,
Terwijl men vliege en trekt
Op s vijands heerspits af en aan;
Dan roep eens uit de borst:
Zoo vecht de Vredevorstl

TEGENKEER.

Helaas! wie is op wapens stout,
Op ijzer, en op staal,
Op kinderspel, en praal
Van purper, zilver, en fijn goud,
Borduursel, parlen, en getteent,
t Welk eer den roover sart?
De krijgsdeugd leeft in t hart,
Dat zich van bleeken wellust speent.
Deea hofpracht, al dit poppenheer,
Dit weerloos schijngeuweld,
Op s Vorsten voorbeeld, smelt
Allengs, en let van zelf t geweer
Ter liefde van zijn schoonstu ner,
En treedt in haren dienst.
Zoo krijgt, op t ongezienst,
Het land een onbesneden Heer.
Och, eertijds vroom geslacht,
Hoe slaapt gij op uw wacht!

TOEZANG.

Alle dingen door en weder
T onderzoeken, te verstaan
Wat men ziet benen de maan,
Al wat d aarde, ons moeder, baart,
Van den yzoop tot den ceder,
Alle planten, en den aard
Van een ieder dier te kennen;
t Zij het hier op aarde leef,
Of de dunne lucht doorzweef,
En doorvlieg met vlugge pennen,
Of de wateren bezwemt;
Alle kennis is verloren,
Kan de min den Vorst bekoren,
Dat hij van zijn plicht vervremdt.
Dan regeert geen man den Staat,
Maar een vrouw in mans gewaad.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001