Joost van den Vondel (1587-1679)

SALOMON.

DERDE BEDRIJF.

BENAJAS, SANHEDRIN.

BENAJAS.
Mijn schildknaap! luister fluks heer Sabud stil in ít oor,
Dat al de Sanhedrin vast aanstapt, en gehoor
Ten hove zoekt. Men dient den toegang te bewaren,
Of nu de breede raad den Koning kwam bezwaren,
Daar hij zich in de zaal, op ít feestelijk banket,
Bij ít vrouwentimmer heeft ter tafel aangezet.
Wij zullen hier een poos de vaders onderhouden,
Naar hoffelijken stijl; doch of ze iet verdere wouden
Bestaan, en drongen om den Koning mondeling
Te spreken; ít waar gera‚n, dat hij hun onderging,
Dewijl de roep dit feest ten breedsten uit durf meten,
Hij rijze, is ít mogelijk, van daar men is gezeten,
En trede, al heimelijk, zou spoedig da hij mag,
Van ís Konings blijden disch, en keere dezen slag.
SANHEDRIN.

Geluk, Heer Benajas!

BENAJAS.
                                De Hemel wil u sparen,
Grootachtbre Vaders! wel, wat brengt gij ons voor maren,
Van binnen?
SANHEDRIN.
Zeg ons, is Heer Sahud bij der hand?
BENAJAS.
Hij oudurhondt den Vorst, ten dienst van ít vaderland,
Als zijn vertrouweling.
SANHEDRIN.
                                   Hoe zoude Vorst hem missen?
Hij gaat in ít kabinet van ís Rijks geheimenissen,
En volgt zijn meester, als zijn schaduwe, al den dag.
BENAJAS.
Wat zijn geluk hij hem tot ís volleks heil vermag,
Benaarstigt hij ten hove, al waar het met zijn schade.
SANHEDRIN.
Zoo dí amptenaren dus der Koningen genade
Gubruikten overal, men zou een beter tijd
Beleven, zonder twist en ouderliugen strijd.
Nu sluipen menigmaal de vleyers in de hoven.
Dan mag de lente ít land een vruchtbaar jaar beloven;
Maar, och de vleitong gaat met al den bloesem deur,
Het ooft der Doode Zee stelt dus ons hoop te leur.
BENAJAS.

De vleyer strekt een pest hij hooggebore zielen,
En leert ze in ít ende zelfs voor haar gebreken knielen;
Gelijk een onbesneÍn zich voor den afgod bukt.
Hoe nu? ontstelt u dit? O Vaders wat verrukt
Uw zinnen, zoo verbaasd? Ontstelt u deze rede?
Hier valt noch twist, noch strijd. Een ieder leeft in vrede,
In dit gezegend Rijk. Wat ís dí oorzaak, dat ge zucht?
Geloof geen lastertong, noch ijdel straatgerucht,
Geruchten komen op gelijk de zomerbuyen,
En drijven over. Wilt geen spel ten ergsten duyen.
Ik gis, het vollek smaalt op dit Sidonisch feest
En feestbanket. Mag nu de Vredevorst zijn geest
Niet spelen voeren, en, na veel beslommeringen,
Uitspannen voor een dag? Of zou het tolk hem dwingen?
De lusthof heeft zijn tijd hier buiten, het paleis
Daar binnen ook zijn huurt, doch ellek naar den eisch.

SANHEDRIN.
Het voegt den Rijksraad niet den Koning wet te stellen,
Noch onder zijn vermaak den ouden Heer te kwellen,
En ít hoofd te breken; neen, dat past geen onderdaan.
Wij komen op dien voet niet tí zamen herwaart aan,
Maar moeten naar het volk ons zelfs een luttel voegen,
Hun opspraak dempen, en de burgerij vernoegen.
BENAJAS.
De burger klaagt uit weelde, onkundig van zijn lot.
SANHEDRIN.
De burger eert de kroon gewillig onder God,
En wenschte ít aangezicht des Konings meer tí aanschouwen,
Die midden in den drang der buitenlandache vrouwen
Belemmerd zit, en iset gezien wordt op den stoel
En zetel des geruchts. ít Gemeene best wordt koel
Behartigd, daar de Heer van huis is en te zoeken.
Zoo morren ze bij wijl, ja, lasteren en vloeken
De Koninginnen, alsof bij hun zweet en bloed
Die koninklijke sleep te dertel wierd gevoed
In overdwaalsche pracht en walgende overdaden.
Gesteenten, kronen, praal, juweelen, en gewaden
Waardeeren ze op het naauwste, en hangen er voort bij
Al wat hun ongeduld verciert en uitsmijt. Wij
Ontveinzen ít, om geen haat der morrenden te tergen;
Doch ítgeen een ieder ziet, hou kan men dat verbergen
Of loochenen? Men roept: de Koning wordt verrukt
Van ít eerste spoor. Helaas! de lieden zien bedrukt.
BENAJAS.

Wat lust kon eenig Vorst ter wereld ooit gebeuren,
Indien hij zich terstond aan ís volks gemor zou steuren?

SANHEDRIN.

Het heugt ons, hoe de kroon tot aan de stenen reus,
Toen op den elpen troon hij ít billijk vonnis wees,
En scheidde door het zwaard den kindertwist, zoo snedig.
Nu slaapt de Leeuwestoel, nu staat de zetel ledig,
Waarop zich elk beriep, indien hij in de poort
Zich vond verongelijkt, of langzaam wierd verhoord.

BENAJAS.

Het past den Sanhedrin op ít poortgerecht te letten.

SANHEDRIN.

Het past den Sanhedrin, en ook het hoofd der wetten,
Den Koning boven al, den mond van ít Rijksgerecht,
De tong en ziel des Rechts. De raad is Konings knecht.

BENAJAS.

Een ieder schuift den last van zijne op ís Konings schouder.
Zijn hoogen ouderdom zoekt rust. De Vorst wordt ouder,
En zwak, en onbekwaam tot zulk een lastig pak.

SANHEDRIN.

Wij wenschen te gelijk zijn Majesteit gemak
En rust, zooveel hem God van boven heeft beschoren.
Wat raad? Hij is ter krone en tot diens last geboren.

BENAJAS.
Ontlast dan, naar uw macht, het ampt der Majesteit,
Die ít gansche Rijk verplichtte, en toom het onbescheid
Dus al tí ondankbren volks, en zijne lasterstreken.
SANHEDRIN.

Zou ít ook geoorloofd zijn, den Koning eens te spreken?

BENAJAS.

Genoeg, indien hij niet verheugd waar aan den disch.

SANHEDRIN.

Wat wil de spiegelstrijd? Wat strijd, wat veldslag is
Voor ít mirtewoud vertoond, dat wonder geeft te zeggen?

BENAJAS.
Wie stopt het volk dan mond? Men kan geen zaak beleggen
Zou wijselijk, het zij ook waar, wanneer, en hoe,
Of iedereen bedilt ze, en zeÓt er ít zijne toe.
De Koning voerde ít oog der Koninginne spelen,
De hofwacht stond op ít veld, gewapend in twee deelen,
En vierkant, heerelijk en hemelsch uitgerust.
De zon ging op in ít goud, en was op pracht belust.
Het eene deel, getroost des Konings zij te voeren,
Verhief de Leeuwsbanier, gereed den klaauw te roeren;
Het ander hield de zij van zijn Prinees, wel prat,
En stak een Stier op, daar een schoone Maagd opzat,
Waarvan de Sidoniers nog ijdelijk gewagen,
Hoe ís werelds derde deel naar haar zijn naam zou dragen.
Zoodra men wapen blies, in ít aanzien van den Heer,
Ging elk zijn vijand fier met spies en zwaard te keer,
Howael alleen in schijn, en zonder bloed te storten.
Men zag tot driemaal toe, de heeren tí zamen horten,
En driemaal deizen, met rondassen op den rug,
Tot dat de Leeuwbahier, vol doodschrik, bang, en vlug,
In handen viel (het scheen bijkans een strijd van minne)
En opgedragen wierd zijn liefste Koninginne.
Daar komt Heer Sabud zelf. Ik laat de Vaders hier.
SANHEDRIN.

Men speelt al schimpende ernst. God geve, dat de Stier
Van Sidon niet den Leeuw van Juda overheere,
En over zijnen staf en godsdienst triomfeere!

SABUD, SANHEDRIN.

SABUD.
Wat brengt de Sanhedrin ons uit de stad al goeds?
SANHEDRIN.

Mijn Heer! niet al te veel. Men zit hier goedes moeds;
Maar binnen mompelen de lieden, langs de straten,
Dat zij van hunnen Vorst en vader zijn verlaten;
Hij hof en stad vergeet, op Recht noch rechtbank let,
Ja, tempel en altaar uit zijn gedachten zet,
En Sidon kerken bouwt, en inwijdt voor de muren,
Ten schimp van God en ít volk, tot vreugd der nageburen.
Zij dragen naauwelijks dit wijfeest met geduld.
Sidonia lijdt last. Zij geven haar de schuld.
Sidonia misleidt den Koning met haar smeekení,
En sleept in ít Hof een staart van Heidensche gebreken,
Die wortelen allengs zoo diep, dat Davids erf
Niet anders ziet te moet dan woestheid en bederf.
Mijn Heer onschuldig ons, wij levren u de woorden
Der burgren over, zoo wij die in ít uitgaan hoorden.

SABUD.
Gemeenlijk slaat het volk de Heeren zelfs voorbij,
En heeft het, in de koorts van zijne razernij,
Op iemand naast den Huur te vreeselijk geleden.
Wie kan hun onverstand bestieren ofte raden?
Moet nu Sidonia dit boeten boven al?
Wordt zij nu, als de bruid, uit zulk een duizendtal
Genoemd, om met dien smaad haar majesteit te grieven?
Wie zocht den burger meer te helpen, te believen,
Dan zij, zoo menigmaal de stad haar lastig viel?
Wat nam ze al zorg op zich; Hoe onverdrretig hiel
Zij ít woord des volks ten hove, ook met gevaar, van eere
En aangenaamheid zelf te derven bij den Heere,
Die zich bij wijlen belgde, om dí onbeschaamdheid van
Het smeekschrift, of de zaak, of somtijds om den man.
Ondenkbaar volk! zij heeft u tí onrecht hier gesleten.
Kan haar gedienstigheid zou ras den geur vergeten?
SANHEDRIN.

Haar deugden zijn bekend, gelijk des Konings min
En ijver tot zijn Bruid, die voert hier feesten in
En Sidons razernij, bij geen HebreÍn te lijden.

SABUD.

Hier buiten voor de stad? Hoe nu? Waarom benijden
De burgers haar ít gebruik des offers, dat ze toch
Aan hare moeders borst eerst indronk met dat zog?
De Koning handhaaft streng uw godsdienst en behoeders.
De Vorst van Tyrus en uw Koning zijn gebroeders
En bondgenooten, ja, door ít bruiloftsbed verknocht.

SANHEDRIN.

Tot aan het outer toe. Geen spruit van Jesse mocht
Zich verder met den Nijl of eenig Rijk verbinden.
In ís werelds zaken zijn ze alleen gelijkgezinden.
Niet wijders hielden wij den nagebuur te vriend.

SABUD.
Heeft Hiram dan bij zoon en vader niet verdiend?
Zou Tyrus nu dus veel genade niet gebeuren,
Of gij liÍn moet het feest, de vreugd der Dochter, steuren,
En haren vrijdom? Merk, wat onbescheid is dit!
SANHEDRIN.

Men gunt, dat Hiram gansch FeniciŽ bezit,
En Assers erreflot van ít Rijk te leen mag houden.
Zoo groot een Godsschuld wordt den Heiden kwijtgeschouden

SABUD.

Des danken ze niet ons, maar hun doorluchtig zwaard;
ít En deed2 hun dapperheid, men had ze niet gespaard.

SANHEDRIN.

Mijn Heer vergeef het ons, indien wij ít hof bezwaren,
Uit zorg. om Mozesí Wet en Godsdienst te bewaren.

SABUD.

Wie heeft den Godsdienst meer gehandhaafd dan uw Vorst?

SANHEDRIN.

Voorhene, maar, indien men ít veilig uiten dorstÖÖ

SABUD.

Gij moogt vrijpostig ons uw zorgen wel vertrouwen.

SANHEDRIN.

God waarschuwde ons doorgaans voor buitenlandsche vrouwen.

SABUD.

Is na de Sanhedrin voor ít vrouwetimmer bang?

SANHEDRIN.

Zij moorden dit geslacht met haren tooverzang.

SABUD.

Gij acht dan ís Konings brein te zwak voor vrouwelisten?

SANHEDRIN.

Haar boosheid broedt doorgaans uit Wijzen Afgodisten.

SABUD.

Een wijs verstand omhelst geen Godheid tegens reÍn.

SANHEDRIN.

ít En zij de wijsheid dwaalí, verblind door ijdelheÍn;
Het vrouwenoog kan licht een mannenhart bekoren.

SABUD.

Benijdt ge uw Vorst zijn lust?

SANHEDRIN.

                                              Een wettige ingeboren
Verzade ís Konings min. Dit Rijk was nooit misdeeld
Van schoonheÍn, schooner dan zich eenig hof verbeeldt.

SABUD.

Men moet een vreedzaam Heer zijn lusten niet besnoeyen,
Maar liever kweeken. Op zoo eng een leest te schoeyen,
Zijn zin te zetten slechts op eene landzatin4,
Verveelt de Majesteit, en onbepaalde min
Van hooggeboornen, neen, een edel hart wil weiden,
En lezen keur van kruid Men mag geen Koning leiden
Met burgerlijken toom. hij zoekt uitheemsche stof.

SANHEDRIN.

Van zulk een ijdelheid gewaagt het Tyrisch hof.
Maar Salomon bestelde en leerde ons andre spreuken,
En zuivre bladen. Zou hij zelf zijn lessen kreuken?

SABUD.
Hij mengt ook deugd met vreugd, vrijagiŽ en minnekout,
En looft de Bruid, die hem aanminnig onderhoudt,
Met wederliefde en gunst en hoffelijke zeden;
Hij maalt haar wezen af en haar bekoorlijkheden:
Hoe zwiert de haarlok dan met zulk een aard en val!
Hoe lonkt haar oog, die ít hart uit ís Konings boezem stal!
Wat wit gewasse kudde is witter dan haar tanden!
De lippen gloeyen meer dan karmozijne handen.
Het wangeblos verdooft den blozenden grenaat.
Hoe luikt haar aanschijn op, gelijk een dageraad!
Dan smaakt geen muskadel zou lekker als haar borsten!
Wat dochter treedt zoo braaf, als deze spruit des Vorsten!
Hoe rijzig schiet ze omhoog, gelijk een pallemhoom!
Dan viert de minnegloed zijn poŽzy den toom,
Om ít lichaam naar zijn lust met zulk een geur te kleeden,
En wederom tí ontkleÍn haar schoone albasten leden;
Dien wijnkroeus boordevol, en rond gedraaid, en net,
De goude tarweschoof, met leliŽn bezet;
Den dicht gesloten hof, en wat voor lieve namen
En titels zijn vermaak en liefde muur betamen.
SANHEDRIN.

Die hooge toon begrijptí Gods echtgeheimenis:
Des Knninga huwelijk met Faroís dochter is
Het voorbeeld van Gods trouw met dí uitverkore zielen.

SABUD.
Verschoon ze dan al die des Konings oog bevielen;
Want Faroís spruit is zelf uit afgodisten-stam.
SANHEDRIN.

Zij dient geen afgod, maar den God van Abraham;
Zij zwoer haar Goden af, en Memfisí offervieren,
En ís vaders Priesterdom met al zijn outerdieren.

SABUD.

En Hirams bloed beschimpt ít Egyptisch Godendom,
Dat, onder vacht en schacht en schubben, dus rontom
Den Nijl wordt aangebeÍn, daar ít volk zich laat misleiden.
Men moet de dwaling ook in ít Heidensch onderscheiden.

SANHEDRIN.

Wat aangegrensde, min of meer, in ít Heidensch dwaalí,
Wij wegen ít Heidendom in eene zelve schaal.
En schoon Sidonia ons Wet hield onbesproken,
Deues muur bepaalt den dienst; geen Godsaltaar mag smoken,
Dan binnen deze poort. Dees stad is ít offerperk.

SABUD.

Verdadig vrij ons recht; maar trek niet al te sterk
Aan zulk een snoer. Men moeut het oog bij wijlen luiken,
En door de vingers zien. Men moet zijn recht gebruiken,
Wanneer het voordeel geeft. Zoo gij het aan kunt zien,
Dit offeren zal haast van zelf zich zelf verbiÍn.

SANHEDRIN.

VerbiÍn? Het zal allengs gelijk de kanker kruipen,
En schieten zijn vergift; gelijk een adder sluipen
In ít lichaam van den Staat, en steken, met den start,
De heerschappij, de Wet, en Godsdienst naar het hart.
Dan zal men dí artsenij, helaas! te sp‚ bereiden.

SABUD.
Dees burgerij kan God en Bašl onderscheiden.
SANHEDRIN.

Dies wenscht ze God niet half te dienen, maar geheel.

SABUD.
Zij diene Hem geheel, en stake dit krakeel!
SANHEDRIN.
Het is een Gods krakeel; men mag Gods recht niet kreuken.
SABUD.

De tempel riekt alleen van Leviís wierookreuken.

SANHEDRIN.

Daar staat de voorhof, ook voor vreemden ruim genoeg.

SABUD.

Al ít vrouwetimmer bidt daar God aan, spade en vroeg.

SANHEDRIN.

Met uiterlijken schijn, maar Heidensche gedachten.

SABUD.
God zag, wat gaven hem de Koninginnen brachten.
SANHEDRIN.

God zag de gaven aan, doch ít hart van binnen meest.

SABUD.

Zij vieren met den Vorst den rustdag, en ons feest.

SANHEDRIN.
En nu vermetelijk ít afgodisch feest hier buiten.
SABUD.

Indien men verder ga, de Koning zal het stuiten.

SANHEDRIN.

Wanneer het is te sp‚, wanneer de Sidonier,
Zoo blind als Ammon, ook zijn gruwzaam offervier
Met kinderbloed vermenge, en met onnoozele asschen
En bloed zich schuldig smette, in steÍ van zich te wasschen.
Dees gruwelkerk begrijpt al ít Godendom beknopt
Met ťťn gemeinen naam, en zal, dus overkropt
Van vreemde titelen, een vloed van AfgoŰn braken,
Een ieder God zijn haag en bergaltaar zien blaken,
Tot dat het eindelijk den waren God verdrietí.

SABUD.

Nu Vaders! naardemaal gij dus veel kwaads voorziet
En spelt, zoo neem ik aan den Koning te vermanen,
Te letten op zijn ampt, en geenen weg te banen
Tot dezen langen sleep van twist en zwarigheÍn.
Ontschuldigt midlerwijl, ten beste van ít gemeen,
Den Koning bij het volk, en helpt al dí opspraak weren.

SANHEDRIN.

Wij gaan. Heer Sabud! help dit werk ten beste keeren.

REI.

KEER.

ĄGa heen,Ē bekrijg (sprak Balašm
Tot Balak
) Ą ís vijands tenten
Met zwaard noch dreigementen;
Maar zet ze in brand door minnevlam,
En vier van joffrenoogen.
De schoone jeugd van Madian
En Moab trede in ťťr gespanĒ
De braafste dochters togen
Te velde op dien Waarzeggers raad,
Om harten te verovren,
En hersens te betoovren,
Met minen, lonken, en gelaat.
De bloem der jongelingen
Bejegent ze aan de legerpoort,
En kan, door ít lief gezicht bekoord,
Zijn hartstocht niet bedwingen.
Een ieder lief koost zijn Heidin,
Die, midden onder ít vleyen,
Zich veinst te willen scheyen.
ít Hebreeuwsche bloed, te zoet op min,
Belooft ze trouw met smeeken.
O list! o vrouwetreken!

TEGENKEER.

Indien het hart niet anders peinst,
Dan mond en lippen uiten~
Men kent geen knecht van buiten,
Bemint en spreekt gij ongeveinsd,
Zoo sterk uw woord met daden,
En nuttig tot een klaar bewijs
Een zelven disch en offerspijs.
De minnaars staan beladen
Om zulk een antwoord, al te straf.
Wie brandmerkt zijn geweten,
Aan Bašls disch gezeten,
En zweert zijn God voor Bašl af?
Hoe worstelen de zinnen!
Hier valt in ít hart een felle slag,
Om ís Hemels vloek en ís joffers lach.
Wat zijde zal dit winnen?
Dí onzichtbre Godheid zit te hoog;
De jeugd is brusk en teder:
Zij wankelt hene en weder.
De zichtbre schoonheid speelt in ít oog,
En leert ze op Fegor knielen.
O plaag van mannezielen!

TOEZANG.

De jeugd verging in dat gevaar;
Maar zou de Min, die ít grijze haar
Van Salomon kon zeggen,
Hem, op ít Sidonisch feestbanket,
Vervoeren van der Vadren Wet,
En ook ten afval brengen?
Dat hoede God, die Abraham
Uit Ur beriep, en Jesses stam
Verhief, ten roem der vromen,
Of ít is hier omgekomen!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001