Joost van den Vondel (1587-1679)

SALOMON.

VIERDE BEDRIJF.

SADOK, WETGELEERDE, REI.

SADOK
Wij raakten naauwelijks met moeite, door t klinket,
De Bronpoorte uit, zoo was de breede straat bezet
Van oud en jong, en mans en vrouwen, die vast schreiden,
Met bittre tranen en weeklachten ons geleidden,
Zoo verre een ieder kon, en drongen de staffiers.
Wat was er al gekerms, gejammers, en getiers!
Hoe scheen de straat zoo licht van vierpan en lantaren
En fakkel! Kan de wacht haar wacht en poort bewaren,
Het valt haar dezen nacht voorzeker bang genoeg.
WETGELEERDE.
Toen dees gemeente zag, wat zorg d Aartspriestcr droeg,
Om nog het Rijksschandaal, waar t mooglijk, voor te komen,
Bedaarde ze in het einde, en liet zich wat betoomen:
O Vader! (schreiden zij u na, van poort en wal)
Ga hene, ga, en schut dien jammerlijken val.
REI.

Gij komt hier juist van pas, om s Konings val te schutten,
O hoofd der Priestres! help den struikelenden stutten.
Stap aan, stap aan, naardien t gevaar geen uitstel lijdt.
Ik zag het gansche spel, o Vader! - het is tijd.

SADOK

Wat zaagt ge? staan we een poos, en laat ons wat bedaren;
Men mag geen Koningen op straatgerucht bezwaren
En tijding, over graft en muren heen gehoord,
Van krijgsvolk, op de wacht gesteld bij deze poort.

REI.

Belust te weten, hoe dit feestmaal af zou loopen,
Ben ik met dees livrei te middag ingeslopen,
Daar Koning Salomon, zoo heerelijk en prat,
In t midden van t banket der Koninginnen zat,
Gelijk de nijd hem lang zijn heil en kroon benijdde;
Mevrouw Sidonia zat aan zijn rechte zijde,
En onderhield den Vorst gestadig met een lonk
En vriendelijk gesprek. Het wezen scheen nog jongk,
Zoo was hij in zijn schik. Indien de grijze haren
Niet tuigden, het gelaat zou ouderdom en jaren
Verloochenen. De min zag hem ten oogen uit,
Gelijk des Brtugoms pen in t Hooge Lied de Bruid
Bemint, en vlet, en vrijt, en d allerschoonste zegent,
Terwijl ze wederom haar liefste heusch bejegent;
In t kort, de Vorst was zoo verheugd en blij van geest,
Dat dit geen maaltijd scheen, maar eer een bruiloftsfeest.

SADOK

Laat hooren, waar de vreugd ten leste op uit wil komen.

REI.

De dertle tafel was nog naauwlijks opgenomen,
Of Salomon, bekranst met haren rozekrans,
Ging zitten op een troon, belust den starredans
Te zien, waarvan zij zich beroemd had onder t eten.
Nadat ze eerbiediglijk, dftar hij was nergezeten,
Zich driemaal nederboog, en lachende oorlof nam,
Begon ze, en maalde allengs met trippelen een vlam,
Gelijk een avondstar, dat d aangename zwieren
Hem raakten aan het hart. Hij kan zich niet bestieren,
En springt van zijnen stoel, omhelst ze, en roept: mijn Bruid
Wel aan, nu kies de bloem van al uw wenschen uit,
En eischt wat gij begeert; het is u ongeweigerd.
Men denke, of haar het hart in t lijf van blijdschap steigert,
En opspringt; want zij had op deze luim geloerd,
En hem ven langer hand in haren strik vervoerd.
Zij antwoordt: Bi met ons het wierook aan Astarte.
Hij stemt het reukloos toe. Waar berg ik mij van smarte!
De Koning stapt vooruit; zij volgt op zijnen tred.
Aartspriester! keer den Vorst, en handhaaf Mozes Wet.

SADOK

Hoe kan dit Heidensch wijf den Koning ringelooren!
Zoo zal ze dien Monarch, ter heerschappij geboren,
Beheerschen, als een kind, en zetten zich parman
En prachtig op den troon, aan zijne rechte hand!
Zij zal de kroon des Rijks, ten trots van alle wetten,
Hem nemen van den hoofde, en op haar hulsel zetten,
Dan klinken voor zijn koon, hem heeten en gebin,
Ja, Aron haar in t eind naar de oogen moeten zien.

WETGELEERDE, SADOK, SALOMON.

WETGELEERDE

Ik me den Koning zelf: hij heeft uw komst vernomen.
Mij dankt, hij deist, en schijnt uw aangezicht te schromen
Een teeken, dat het hart inwendig wordt gepraamd
Van achterdocht; t gaat wel. De Wellust trok de schaamt
Niet ganschlijk uit. Hier is nog leven en gevoelen.
Ik schep nog hoop, hij mag bedaren en bekoelen.

SADOK
Gods zegen vloeye op u uit s Hemels hoogen troon!
God zeegne Salomon! God zeegne Davids zoon!
SALOMON.

En Sadok in zijn ampt, van boven hem bevolen!

WETGELEERDE

God hoede zijn Gezalfde, en laat hem nimmer dolen
Van t heldre spoor der Wet, uw vaders licht en schat

SADOK
Dat wenscht u t Priesterdom; dat wenscht de gansche stad
SALOMON.

Zij konnen hunnen Vorst niet aangenamers wenschen.
Wat jaagt u hier zoo sp?

SADOK
                                       t Geroep, t gewoel der menschen
t Geschrei van duizenden, die uit Jeruzalem
U smeeken te gelijk met hun bedrukte stem.
SALOMON.

Bedrukt? Wat druk, wat smert gevoelen d onderzaten,
Nu Salomon regeert, op wien ze zich verlaten
In veiligheid en vre? Zij zitten, zonder schroom
En zorg, in schaduw van olijf en vijgeboom,
Van Dan tot Berseba. De vijgboorn, die de dalen
In t wild belommert, kan het hij geen ceder halen,
In menigte en getal De straatsteen valt te licht,
Bij t zilver en rood goud. De stad was nooit zoo dicht
Bewoond en vollekrijk bij ons Heer vaders leven.
Wie zag ooit Koninkrijk meer melk en honig geven,
En zoo veel nieuwe sten in t Joodsche larnd gebouwd?
Gij ziet nu Jesses kroon aan Faros kroon getrouwd,
En hoort, van Memfis, macht van paarden herwaart draven,
Wat zeesten voeren niet den arbeid van heur slaven
Naar onze kusten toe? Het Oosten brengt ivoor,
En perlen, en gesteent. D Araber en de Moor
Vereeren wierook, myrrhe, en al den geur van t Zuyen.
Men hoort geen krijgsbazuin, noch strijd, noch oorlogsbuyen.
Mijn staf bereikt den Nijl en oevers van d Eufraat.
Al t omgelegen volk zoekt heul aan dezen Staat.
Wat port dan dees gemeente, om over ons te klagen?
Of klagen ze van weelde, en valt die zwaar te dragen?

SADOK
t Gelieve uw Majesteit de reden te verstaan.
SALOMON.

Zeer gaarne, Vader! spreek vrij uit: wij hooren t aan.

SADOK
De goudvloot, lang om goud naar Ofir heengevaren,
En eindlijk, na verloop van drie geheele jaren,
Met smerte en angst verwacht, genaakte vast het strand
Der Roode zee. Men riep: de vloot is onder t land!
Asongaber stak het hoofd op aller wegen.
Uw jachten voeren haar met zijde zeilen tegen.
Het grimmelde van volk, als bijen, overal,
Op muur, en torentrans, en waterkant, en wal.
De Hemel scheen hiertoe zijn zegen te verleenen.
De zon had nooit zoo schoon in t hemelsch blaauw geschenen,
Toen d Amiraal der vlote, of t schip, dat Salomon
Naar zijnen Koning heet, vr t zinken van de zon,
Zijn kiel stiet, als het naar de haven toe kwam streven.
Het is op t ongezienst met volk en schat gebleven.
De zeestad was vol schriks. Dus luidt donzekre maar.
Zoo t niet gebergd is, loopt het merkelijk gevaar.
De naaste bode wil de droeve maar vergoeden!
SALOMON.
Men hoop, de Hemel zal het ongeluk verhoeden.
Wat mij belangt, ik schel de zee mijn schade kwijt.
t Is droef, dat d Amiraal in t landen schipbreuk lijdt.
SADOK
Zoo doet het, groote Vorst Dit schip, zoo rijk geladen,
Is Koning Salomon, grootdadig in zijn daden,
Die grijs van ouderdom, gezegend met den schat
Van wijsheid en geluk en heerlijkheid, en wat
Een aardsche Godheid voegt, gevaar loopt van te sneven,
Eu schipbreuk in zijne eere en zijn godsdienstig leven
Te lijden, op het zand van wulpsche afgoderij,
Vr s levens avondstond. Waar brengt de razernij
Van vrouwemin den mensch, een Vorst, een licht der Heeren,
Dat alle Koningen als Gods Orakel eeren!
Hebt gij de jonkheid niet geraden, wijs en trouw,
Te vlin de gladde tong van een uitheemsche vrouw,
Haar honigzoete keel en liefelijke lippen?
Zoo zorglijk, als in Zee verborge en blinde klippen,
Gevarelijker dan een scherp tweesnedig zwaard.
Waarom beschrijve ik n deze adder en heur aard?
Wat helden stak ze niet uit heur verborge lagen?
Wie kan een gloeyend vier in zijnen boezem dragen?
Wie treedt op kolen en verbrandt de voeten niet?
Zoo luidt uwe eige les, uw gulde Spreuk. Zoo ried
De Koning onze jeugd en zonen, die nu schreyen,
En hem, gelijk een os, naar bijl en bank zien leyen,
Gelijk een vogel blind zien vliegen naar den strik,
Uw leven en uw dood verscheelt een oogenblik
Ontwaak, o Salomon! ontwaak uit uwe droomen!
Ontwaak, of t is met u en Juda omgekomen.
Gij staat in top van eere, en die u storten zal,
Dicht achter u, en lacht alreede in uwen val.
SALOMON.
Zou dat mijn schaduw zijn, zoo diende ik haar te vlieden.
SADOK
Ja, recht, een schaduw ken u dwingen en gebieden.
SALOMON.

Gij meent Sidonia, mijn opperste vermaak.

WETGELEERDE.

Nu honigzoet, maar flus van alsembittren smaak.

SALOMON.
Dat licht der schoonheid, waard des Konings min te voeden?
SADOK

Vermomd, om gruwzaamhen van afgon uit te broeden.

SALOMON.

Zij dient haar Godheid slecht en recht, op Sidons voet.

WETGELEERDE.

En sleept den Koning mede, en t hof, en al zijn stoet.

SALOMON.
De Vorsten zijn gewoon, Vorstinnen te beleven.
SADOK

Een Vorst ontzie, zijn bed ten dienste, God te grieven.

SALOMON.
Wat s dit, een luttel smooks te rooken voor t altaar?
WETGELEERDE.
Voor zulk een gruwelbeeld? O laster, al te zwaar!
SALOMON.
Geen gruwel, maar een beeld van wit en zuiver marmer.
SADOK

Wie afgon eert, versmaadt den oppersten beschermer.

SALOMON.
Beschrijf me d afgon, opdat ik die doling kenn.
WETGELEERDE.

Uw wijsheid maalde ze ons naar t leven met haar pen.

SALOMON.
Die vloekt noch kopre Slang, noch goude Cherubinnen.
SADOK
Dat waren afgon noch verbodene afgodinnen.
SALOMON.
Het waren beelden, kunst, en koper, hout, en goud.
WETGELEERDE.
Wie heeft zijn hoop en troost op dat metaal gebouwd?
SALOMON.
Gewonden, van de Slang vergiftigd en gebeten.
SADOK
Zij hebben Gode dank voor s lichaams heil geweten.
SALOMON.
En bleven midlerwijl genezen door het beeld.
WETGELEERDE.

Een beeld, dat God verheft, en niet zijn eere steelt.

SALOMON.
De Fenicirs staan niet aan Mozes Wet gebonden.
WETGELEERDE.

Wij dienen nen God, zij kunst en menschenvonden.

SALOMON.
God schonk Olisb en ook Bezalel
Den geest van kunst, gewrocht door goddelijk bevel.
SADOK
Ten dienst van nen God, den vader van uw vadren,
Gezalfde! laat ik u, gelijk Aartspriester, nadren,
En uit den gulden strik van t vrouwelijk bedrog
Verlossen! Geef gehoor om God, en luister toch
Heb ik en Nathan u ten Vorst des volks gekozen,
En op den troon gezalfd met onzen oliehoren,
Zoo volgt getrouwen raad en schuw de vuile smet
Der schoone slang, te lang gekoesterd in uw bed.
Een slang heeft d eerste vrouw, de vrouw den man bedrogen,
De man al t aardrijk voort met zich in t net getogen.
De geest des Hemels vliedt het al wat schepsels eert.
Wie ongon inwijdt, is t die allersnoodst boeleert.
Een eenig voorbeeld kan ontelbaar volk vernielen.
En lust, n ijdelheid bederft onnoozle zielen.
Zon luidde uw eerste taal: dat was uw spraak voorheen,
Toen gij de wijsheid volgde, en God, die u verscheen,
En zegende uit zijn schoot met kennis, schat, en eere.
Vergeef me, wijsste Vorst! dat ik uw wijsheid leere:
Bederf uw eersten geur geenszins met zulk een stank,
Verdoof noch schen uw faam met zulk een kwaden klank!
De mars loopt alre daar binnen, langs de straten,
Dat Salomon den God der Vadren heeft verlaten.
SALOMON.
Een galm, een straatgerucht verdwijnt in ijdel lucht.
Een Koning keert zich niet aan s volleks straatgerucht.
WETGELEERDE.

Wat baat de tempelbouw? Wat baten offervlammen,
Zou vele duizenden van runderen en rammen
En ossen, en t geblaat van al t onnoozel vee,
De Bondkist, kaudelaar, altaar, en kopre zee.
De praal des Priesterdoms, gezang, en feest, en staatsie,
En al uw ijveren, nu gij in t einde, eilacie
Te jammerlijk vervalt, u zelven stelt ten spot,
Den levenden verzweert, en dient een dooden God,
Een pop van Sidon! Kan de Hemel dit verzwelgen?

SALOMON.
De Hemel zal zich des zoo wonderijk niet belgen.
Gij schat de wijsheid van den Hoogsten veel te ter.
WETGELEERDE.

Die lijdt niet, dat men eere en diene een andren Heer,

SALOMON.
Niet binnen deze stad, maar buiten Sions muren.
WETGELEERDE.

Men pare nimmermeer zulke ongelijke buren.

WETGELEERDE.

De grond des ganschen lands is heilig; s Konings staf
Beware ook ongeschend het erf, dat God ons gaf.
n Wet, n Vorst, n God, n kerk, n offerande,
Daar zetten wij ons lijf en leven voor te pande.

SALOMON.
Wij hebben ons vriendin slechts nen dienst beloofd.
SADOK
Genadigste waak op, eer u de donder t hoofd
Verplette, om zijn leed en smaad aan u te wreken.
Hebt gij Adonias, die naar uw kroon durf steken,
Uw eigen broeder zelf, den zwaarde toegedoemd,
Met wat liefkozerij en razernij verbloemt
Gij dit meineedig stuk, twelk eeuwig wr,aak wil schreeuwen
Tot God, die nimmermeer, in t midden der Hebreeuwen
Zal lijden, dat zijn naam onteerd blijf door dien hoon,
Een bastertgod zich zette in zijnen offertroon?
Last af, het ie hoog tijd dit met berouw te boeten.
Wij zinken; d aarde loeit alre benen ons voeten.
SALOMON.
Nu Vader! zijt gerust: wij staan op vasten grond.
WETGELEERDE.

Gij staat niet vaster dan Abiram eertijds stond,
Wiens rot van s Afgronds muil verteerd wierd en verslonden.

SALOMON.

Wij staan aan ons belofte en Koningin verbonden.

WETGELEERDE.

Nog hooger aan Gods boek, dees boekstaaf, onzen band.

SADOK
Gelooft ge t Wetboek niet, geloof Gods eige hand!
Zie daar de steene Wet, en van Hem zelf geschreven.
Zij dondert over t land, dat berg en steenrots beven.
Dees tafel kent en dient maar nen Heer alleen,
Die Jacobs boeyen brak door duizend wonderhen.
Versmaadt ge Zijn gebod en ons Hebreeuwsche bladers,
Zoo siddert voor de wraak en gramschap, die des vaders
Vergrijp aan d afkomst straft, tot in het vierde lid,
Dat hem de rugge biedt en vreemde Goden bidt.
SALOMON.
Ik staak mijn opzet niet, hoe stout men dit belette.
SADOK
Daar let de groots stad, daar God Zijn zetel zette.
Hij roept u van Zijn troon en Cherubijnen toe,
Ik bidde u bij dien staf, bij Arons groene ro,
Die deze amandels droeg en levendige blren:
k Bezweer u bij God zelf, laat toch uw afgod varen!
Laat varen, dat geen dwaze en dolle vrouwelust!
U liever zij dan God, en naam, en faam, en rust.
Verkeer uw zegen niet in honderdduizend vloeken.
Of stapt ge hene, stap eerst over Mozes boeken,
En al het Heiligdom, en s Hoogepriesters lijf,
En sleept ze me ten val; maar trap mijn hart zoo stijf,
Zoo vinnig, dat het breke, is t reede niet geborsten
Van hartewee! O bloem, o kroon, o licht der Vorsten
En Koningen! gewild als t aanschijn van de zon;
o Hemelsche Profeet, begaafde Salomon!
Gehoorzaam God in ons! of, zijt ge niet te buigen,
Zoo neem ik Zijnen troon en Englen tot getuigen
Van Sadoks trouw en plicht, godvruchtigheid, en druk,
En wil onschuldig zijn aan dit verwaten stuk!
SALOMON.
Helaas! ik voel een storm, een onwer door mijn zinnen;
Hierbuiten dreigt me God, Sidonia daar binnen,
En t vrouwentimmer, dat zoo veel op mij vermag.
Aartspriester! spaar uw rouw, en tranen, en beklag.
Ga hene, stil de stad, en stel mijn volk te vrede!
Ik zal Sidonia (betrouw het mij) haar bede
Ontzeggen. Zijt gerust; ik wil in plaats van God
Noch Ammons Moloch, noch Sidonische Astaroth,
Noch Moabs Chamos hier in woud of tempel vieren.
Ik wil geen heilloos beeld van marmersteen, of dieren
Aanbidden. Weg met dit blanketsel en bedrog!
Ik zoo uit Natans borst geen afgodisten zog;
Een afgod stichten is de grootste goddeloosheid,
En oorsprong en het slot van allerhande boosheid.
Eerwaardige Vader! staak uw droefheid en geklag!
Ga hene, stil ons stad, en volk door uw gezag!

SIDONIA, SALOMON.

SIDONIA.
Mijn waardste altaargenoot! gij wacht me hier ter stede,
Ontschuldig uw Princes: zij werd ten leste reede,
En kwam nog tijd te kort aan tooisel en cieraad.
Wie ons Godinne dient, vermij al wat misstaat.
Mijn Priester Ithobal, de hooggeeerde vader,
Bereidt zich naar gewoonte, en komt ons be te gader
Op t heilig offerfeest geleiden, met de praal
Der Koninginnen, die hem wachten in de zaal,
Een iegelijk nut t schoonste en heerlijkste uitgestreken.
De staatsie staat gereed. De fakkels zijn ontsteken.
Wij dienden wel te gaan, zij komen. Hoe, mijn Heer,
Mijn bruidegom! hoe dus? Gij wandelt hene en weer.
Verdient Sidonia geen antwoord op haar rede?
Verdroot n t wachten Hoe? dees tijd en offerzede
Vereischt iet ongemeens, en keurigheid, en pracht.
Vergeef het u vriendin, heeft zij te lang gewacht.
SALOMON.
Een luttel toevens kan somtijds een aanslag krenken
Of vorderen. Dit werk geeft allerlei bedenken.
SIDONIA.

Bedenken? Hoe, mijn Heer! is t nu bedenkens tijd?
Gij gaaft me flus uw woord: ik schelde u zoo niet kwijt.

SALOMON.
De Koning blijve u dan dees kerkbelofte schuldig;
Ontsla hem deze reis, en draag u toch geduldig,
Ga heen, voltrek het feest met al uw hofgezin.
Verschoon den Vorst; hij ziet dit offren dieper in.
Wie wijs is, schikt zich liefst naar s volks gelaat en tijden.
Een Koning boven al, om onraad te vermijden,
Betoom zich zelven, ook in t gene hij vermag.
SIDONIA.

Een angstig Koning knaakt zijn schepter en gezag,
Als zijn gemeente merkt, dat hij begint te zwichten.
Zij zal op dezen voet haar eere en aanzien stichten,
Ja, hem van langer band dus wassen over t hoofd,
Wij houden ons aan tgeen de Koning eens belooft.

SALOMON.
Ik doe mijn woord gestand, wat vroeger of wat spader,
Wat hindert dit? Men lette op mijn besluit wat nader
En rijper; wat kan t schan?
SIDONIA.

                                          Hoe dus, mijn eigendom?
Wat inzicht zet zoodra uw wijze zinnen om?
Mijn vier! hoe kan uw brand te mijwaart zou verkoelen?
Wat kan u kwetsen, dat mijn ziel niet eerst zou voelen?
Mishaagt u iet in mij? Laat hooren, waar het deert.
De Majesteit ontvouwe al wat heur hart begeert.

SALOMON.
Ik hebbe, ontstel u niet, mij op die zaak beraden.
SIDONIA.

Beraden? hoe, mijn Heer? Verschillen uwe daden
Van uw beloften? Heeft u iemand omgezet?

SALOMON.
Gij volgt uw vaders wijze, en ik mijn vaders Wet.
SIDONIA.

Men acht een konings woord zoo heilig, als zijn zegel;
En breekt ge dit?

SALOMON.
                          Het strijdt met ons gewoonte en regel;
Wat geldt een vrolijk woord, gesproken bij den wijn?
SIDONIA.

Zoo paait ge mij alleen met eenen schoonen schijn?
Heer Koning! zult ge dus een Koningin beminnen,
Lichtvaardig weifelen, en spelen met uw zinnen?
Het hoofd van Davids Rijk voegt niet dan deftigheid;
Standvastigheid en trouw verciert de Majesteit.

SALOMON.
Mijn schoone! val me dan niet met uw rede lastig.
Wie bij zijn godsdienst blijft, is deftig en standvastig.
SIDONIA.

Standvastig is hij, die niet wankelt in zijn woord.

SALOMON.
Gij hadt me met een lonk en nieuwen dans bekoord,
Of mij een woord ontviel., wat is er aan bedreven?
Gelieven moeten dat elkanderen vergeven.
SIDONIA.

Zoo zendt ge mij alleen op t hoogtijd, zonder u?

SALOMON.
D Aartspriester raadt het af: zijn inzicht maakt me schuw.
SIDONIA.

Verzoekt ge raad bij hem, d Aartspriester zal het nimmer
Inwilligen. Hij haat al t uitheemsch vrouwetimmer,
En voedt dien haat bij t volk. Men droeg hem geen ontzag
In t bouwen van mijn kerk. Zijn aanspraak, zijn beklag
Belette uw ijver niet, ons Priesters in te voeren.

SALOMON.
Indien men verder ga, het zal ons Rijk beroeren,
Gelijk alre de stad. t Is vreemd en ongehoord,
Dat Heidensch offer smook hier buiten voor de poort,
Nog vreemder dat de Vorst dees nieuwigheden stijve,
En met zijn Koningin afgoderij bedrijve,
SIDONIA.

Mijn godsdienst wordt verkeerd afgoderij genoemd,

SALOMON.
Dat zij zoo t wil, die wordt in onze Wet verdoemd.
SIDONIA.

Volhardt dan bij uw wet, in leven en in sterven;
Gij kunt mijn offer, ik uw bedgenootschap derven,
En sta bereid, het Rijk te ruimen met mijn stoet.

SALOMON.
Gij zijt mijn Koningin, mijn aangenaamste gloed,
Zoudt gij uw Heer en Vorst zoo lichtelijk begeven?
SIDONIA.

Ben ik uw Koningin, waar is uw trouw gebleven?
Heeft Tyrus, uw gehoor en bondgenoot en vriend,
Door zijn gedienstighen niet meer aan u verdiend
En t Joodschs Priesterdom? Beloont men de getrouwen
Dus avrechts? Vader hulp uw hof en tempel bouwen,
Hienw heele rotsen weg aan klaren marmersteen.
Hij voerde u Liban toe aan cedren, en al tgeen
Een godsgebouw vereischt, dat aan de lucht zal steigren.
Hij woude u kunstenaars, noch geen bouwmeesters weigren.
Toen waren uw Hebren van Sidons dienst niet schuw,
Noch Sidon zag zoo naauw in zulk een werk op u.
Gij achtte ons handen toen niet onrein, om te werken
Op uw gewijden grond, aan uwe kerk vol kerken.
t Vernuft van Tyrus goot de vaten van metaal,
Kolom, en kopre zee. Gij moet het altemaal
Hem danken, die noch kunst noch kost hieraan wo sparen,
Om d eer des Priesterdoms op t hoogste te bewaren.
Ik ga voorbij dien schat van dierbaar ebbenhout,
Gesteente, en parlen, en ontelbre baren goud,
En wat mijn vaders vloot uit Ofir me kon slepen,
En gieten in uw schoot met rijk gelade schepen.

SALOMON.
Wij weten t Sidon dank, en uw Heer vaders kroon.
SIDONIA.
Men dankt ze met den mond, en averechtschen loon.
SALOMON.
Wat loon verzochten ze ooit? Wat wierd hun afgeslagen?
SIDONIA.

Fenici is te fier, te rustig om te klagen.

SALOMON.
Het voegt geen Vorst, dat hij beweze deugd verwijt:
Het waar lafhartigheid, en bellegziekte, en spijt;
Dies laat ons granen, wijn, olijf noch olie noemen,
Noch op geen twintig sten in Galilea roemen,
En wat uw vader meer van harte wierd vereerd.
Zoo verre is t, dat een hof ter wereld ons braveert
Met diensten; en hoe zou t een Oppervorst betamen,
Dat hij zich van een leen en leenrijk liet beschamen?
Mevrouw! ai, belg u niet al spreken wij te rond;
Gij perste uw Heer met kracht die woorden uit den mond.
SIDONIA.

Uw Majesteit bestelde ons olie, graan, en wijnen;
Om niet in Tyrus oog te vrek, maar mild te schijnen;
Doch t was geen arbeidsloon voor zon vele arbeidslin,
En vader, toen hij ging uw twintig sten bezien,
Bevond, hoe rijk hem heide en zand wierd toegemeten,
Voor twintig jaren dienst, en zijn langdurig zweeten,
En marmer, goud, en hout, besteld tot Sions eer,
Hij schonk u niet te min zoo vele steden wer.

SALOMON.
Van vaders billijkheid kan al het land gewagen.
SIDONIA.

Zoo zoudt gij billijk u gelijk een schoonzoon dragen.

SALOMON.
Ik heb uw vaders kroon gehandhaafd en behoed.
SIDONIA.

Hij heeft, door zijn gezant, u op den troon begroet.
En d eerste heil gewenscht met s vaders heerschappije.

SALOMON.

Dat elk naburig Rijk dus om den pallem strije
Met zijnen nagebuur, vermeert de broederschap
Der Koningen, en voert ze op eenen hoogen trap.
Die eerst mijn broeder hiet, werd mijn behuwde vader,
Toen gij mijn trouw ontvingt. Wien raakt de vriendschap nader?

SIDONIA.

Daar grond van vriendschap is, en liefde, en eenigheid.

SALOMON.
Wat spreekt Sidonia?
SIDONIA.

                                Helaas! ik ben misleid.
Men troont me uit Hirams hof met honigzoete woorden.

SALOMON.
In t hof van Salomon.
SIDONIA.
                                  Och! zat ik aan de boorden
Van Indus, of d Eufraat, of diep in Moorenland,
Of Perzen, of waar t zij, daar een de Rijkskroon spant,
Die mij gebeuren mocht, en mild wierd aangeboden;
Zoo hadde ik geenen strijd te voeren met uw Joden,
Die mij dus overdwers begrimmen alle daag,
En roepen: dat men haar ten stoel, ten Rijke uitjaag!
Maar zijt gerust, men hoeft geen Koningin te dreigen.
SALOMON.
Het onverstand des volks is allen Rijken eigen.
SIDONIA.
Ik nam op Vaders raad des Konings trouwring aan,
Om onder Faros kind aan uwe zij te gaan
Voor tweede Koningin, die eerste vrouw mocht wezen.
Hoe liet ik, slechte duif! mij lokken en belezen,
En houden uit den troon van menig jong Monarch.
Men overstemde mij. Een dochter denkt geen erg.
Zoo werd mijn groene jeugd besteed aan grijze haren;
Mijn lente, aan wintersneeuw, mijn bloem, aan dorre blren.
SALOMON.

Hier ziet u t gansche hof naar d oogen en den mond.
Uit duizend is er geen, die zoo mijn boezem wondt
En blaakt, als gij alleen. Bedaar mijn uitverkoren.

SIDONIA.

Hoe dikmaal hebt ge wel in uwen gloed gezworen,
Dat gij mij volgen zoudt ten outer, hand aan hand!
Laat tuigen t echte bed, gordijn, en ledekant.
Hoe laat gij u vergeefs om uw beloften manen,
Met ijdele geben, en oogen, nat van tranen?

SALOMON.
Hoe schreit ge dus, mijn hart? Zijn wij hier oorzaak van?
SIDONIA.
De Koning Salomon is recht een vrouweman!
Men wensch de bruid, die hem in d armen thuis zal komen,
Geliuk! zoo juichten berg, en bosch, en beek, en stroomen;
Toen ik met uw gezant van Vader oorlof nam:
Een bruilofsvaart, die mij, helaas! zoo zuur bekwam.
SALOMON.
Toen gij den erfgenaam en zoon van David trouwde?
SIDONIA.
Een trouwen, dat mij meer dan duizendwerf berouwde.
Och, ach! had Davids zoon nog iets van Davids schijn,
Die Goliath, den Reus, en menig Filistijn
In t veld gemoette, alleen om Michol te verwerven;
Dat was een held, vol viers, die om zijn bruid wou sterven!
SALOMON.
Geen Heidensch Afgod had mijn vaders zwaard te vriend.
SIDONIA.
Zijn zwaard heeft Achis zelf en t Heidensch Rijk gediend.
SALOMON.
Uit hoogen nood, mijn Lief! en om zijn lijf te bergen.
SIDONIA.
O trouwelooze! ik zweer het u niet meer te vergen,
En zweer het anderwerf, bij Sidons Oppergod,
Den grooten Dondergod, bij t beeld van Astaroth,
Bij zoo veel Goden, als uit eene wolkvan boven,
Van uw meineedigheid en valschheid in t beloven
Nog kennis dragen. Gij geveinsde, hard van aard!
Is uw getrouwe u geen altaargemeenschap waard?
Zoo zult gij ook voortaan haar bedgemeenschap derven.
Mijn vloek en Tyrus vloek zal treffen op uw erven
En volk, dat gift en gal op Sidons dochter braakt,
Een schoonheid, tienmaal waard van eenen God geschaakt.
Zie neder uit uw troon, o Koningin Astarte!
En wreek uw smaad, mijn leed,en neem mijn vloek ter harte.
k Verbid hem niet, noch eisch geen uitstel van zijn straf;
O Goden, wreekt mijn smart, en wischt mijn tranen af!
SALOMON.
Om zulk een lichte zaak u zelve zou te kwellen?
SIDONIA.

Uw Koningin ten schimp van al de wereld stellen,
Ten schimp van hof en stad, is dat een lichte zaak?
Mijn Godsdienst is mijn kroon en opperste vermaak,
Ik docht mijn glorie zou nu eerst den adem halen,
En, als een zon in top gerezen, met haar stralen,
Verheugen al het schoon, dat hier ten hove blinkt;
Nu daalt ze plotseling, en gaat te gronde, en zinkt.
Sidonia ontlook, gelijk een wereld wonder;
Zij ging in rozen op, nu gaat ze in tranen onder.
Zij leeft te lang, die jong niet meer te hopen heeft,
En haar geluk en eere in droefheid overleeft.

SALOMON.
Hoe beeft mijn hart! Wat raad? Ik drijf verbaasd in t midden
Van God en Afgod. Och! wie staat mij aan te bidden?
Te wierooken? Helaas! wat zijde kieze ik nu?
Een worrem knaagt mijn hart, van Sidons Godheid schuw;
En ondertusschen blaakt de Min het onder t knagen,
Hoe kan men Sadok en Sidonia behagen,
Al teffens? Wie van be zal Salomon gebin?
Hoe weent die schoone ziel! Wie kan haar tranen zien,
Al was zijn hart van steen? Neen, neen, ik hij dit nimmer,
Noch haal op mij dan haat van al het vrouwentimmer,
Van duizend vrouwen, elk de braafste Koningin.
Vergeef het Salomon, mijn Schepper! och, de Min,
De vrouweliefde mij struikelen, en dolen
Uitwendig, maar het hart aanbidt in t verholen.
Uw wijze Godheid keer zich aan geen hand vol smooks;
Wij wijden u het hart, en niet een luttel rooks.
Mijn Schoone! zijt gerust: hoe weent ge dus verbolgen?
Mijn Schoone! geef gehoor: ik zal uw offer volgen.
SIDONIA.

Helaas een vrouwenhart is ter en licht beroerd,
En weder licht gepaaid. Mijn Lief! ik was vervoerd
Van ijver en van minne, en ken mijn kranke zinnen.
Geen ware liefde veinst, en houdt haar tranen binnen.

SALOMON.
Mijn schoone! schrei niet meer. mijn wellust, staak dien rouw!
Nu wisch uw tranen af; wisch af dien droeven dauw!
Daar komt de staatsie ons met vreugd ten outer leyen,
Bedaar, bedaar, mijn Lief! eer iemand u zie schreyen.

ITHOBAL, SIDONIA, SALOMON.

ITHOBAL

Nu gaat verheugd ten reye, en danst,
Gij die het hoofd met myrthen kranst,
Ter eere van Astarte.
Nu wijdt hier, blij van harte,
Den tempel aller Goden in,
Daar ons Sidonische vorstin
Den Koning toe liet nooden.
Vergeet ook niet de Goden,
Waar voor het vat van Moab smookt,
En Ammons bloedig outer rookt.
De fakkel blake en flonker
Voorhene, schoon hij donker;
Dan strooye een rozekorf den geur
Van rozen, levendig van kleur,
Dan volgt die geur bij paren!
Laat offerkandelaren,
Van reukwerk zwanger en bevrocht,
Verspreyen hunne zoete lucht,
Dan brengt den korf met duiven,
Sneeuwwit van pluim en kuiven.
Ik volg dien zuivren offerschat,
En zwaai het gouden wierookvat,
Om t offer in te wijden.
Gij, roem van onze tijden,
O Salomon! Sidonia!
En gij, Princessen! volgt ons na,
En helpt dit wij feest kronen
Met goddelijke tonen.
Nu heft der Goden lofzang aan;
Zoo zal de tempel opengaan.

SIDONIA.

O Goden en God innen!
De Koning zingt u lof
Met duizend Koninginnen;
Beschut, behoedt zijn hof!
    Gij vloodt voor s vaders degen.
Nu haalt de zoon u in.
Verleent hem uwen zegen,
En zegent s Konings min.
    Betoomt ze die u tergen,
Dat hem uw macht beho
Hij wijdt op deze bergen
U kerk en outer toe.

ITHOBAL

Daar opent men den tempel
O Godheid van t altaar!
Wij offren op uw drempel
Dit onbevlekte paar.
    Ontvang dien geur van eere,
Nu tweemaal achter een.
Dat uwe macht vermeere,
In t midden der Hebren.
    Tast aan, o roem der vrouwen!
Tast aan, o Konings bruid!
Zoo spreye in dees landouwen
Uw lof zijn geuren uit!

SIDONIA.

Tast aan, o bloem van Jesse!
En smook nu, te gelijk
Met mij, voor dees Godesse,
Het wierook in uw Rijk!
Wat schrikt ge, mijn beminde?
    Tast aan, wat maakt u blo?
Tast aan, mijn eensgezinde!
Men eert ons Goden zoo.
    Wij wierooken te gader
U met dit wierookvat.
O Godhen! treedt ons nader,
En zegent hof en stad.

SALOMON.

Och, och wij zijn verwaten,
Van God verstooten en verlaten.
Wat wil dat schrikkelijk gerucht?
Gods gramschap borst met donder uit de lucht.
Waar heen gevloden? Waar gevlucht?

REI.

Ie KEER.

O Sion! schrei geheele plassen;
Bestrooi uw hoofd met stof en asschen;
Trek hare boetklen aan, als wij.
    Geen blijschap zij
Rondom noch binnen uwe wallen.
De kroon is van uw hoofd gevallen;
De wijze Koning let er toe.
    De taaye ro
Des Hemels dreigt u fel van boven.
Gods gramschap rookt, gelijk een oven.
Hoe blusschen wij haar vonken toch?
    Och,och! och, och!

Ie TEGENKEER.

Schrei Cederbeken en Jordanenl
Ja, schrei een meer, een zee van tranen;
Gij wascht geen smet uit uwe zon.
    Och! Salomon,
Ons hemelhooge berregceder,
Stort, zonder hoop van opstaan, neder.
Hoe ziet die schoongeschapen Vorst
    Zoo vuil bemorst,
Berookt, besmookt van Afgodinnen!
O wee! dit komt van uitheemsch minnen,
Uitheemsch blanketsel en bedrog.
    Och, och! och, och!

IIe KEER.

De Sterke, die noch Filistijnen,
Noch leeuw ontzag van minne aan t kwijnen
Geslagen, kwam aldus ten val;
    De schoone stal
Hem thart met tranen en met nokken!
Toen schoer de schaar zijn lange lokken,
Waarin zijn kracht gedoken lag.
    D ontwaakte zag
Te sp, wat list hem leerde dolen,
En blind geketend dreef te molen.
O wellust! O bekoorlijk aas!
    Helaas, helaas!

IIe TEGENKEER.

Wat baat de Wijsheid of de Sterkheid,
Indien men geen van be te werk let,
Noch s Hemels gaven, ons betrouwd,
    In eere houdt?
Men mag op kracht noch wijsheid roemen,
Noch Wijze of Sterke zalig noemen,
Vr s levens jongsten oogenblik
    En lesten snik,
Nu Salomon en Samson sneven,
En zulke spiegels van zich geven;
O reukeloosheid, al te dwaas!
    Helaas, helaas!

TOEZANG.

Beschimpte met uw grijze haren!
Kost gij d afgodische pilaren
Des tempels ook ter aarde rukken,
En storten dit gebouw aan stukken;
Begraven met een krak of twee
U zelve, en uw Vorstinnen me,
Daar zij verblind voor Afgon smaken,
Gij hadt u loffelijk gewroken,
Eu dekte uw schande met dit graf.
Maar, ach, ach, och! gij zijt te laf.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001