Joost van den Vondel (1587-1679)

SALOMON.

VIJFDE BEDRIJF.

SAMUD, BENAJAS.

SABUD.

Wie hoorde ooit zulk een Storm, en zulke donderslagen?

BENAJAS.
Dat gruwzaam onwer kon het stoutste hart vertsagen.
SABUD.

De heuvel dreunde, en al t gebergte hier ontrent.

BENAJAS.

De bliksem heeft altaar en myrthewoud geschend.

SABUD.

Hoe mengde zich het vier en werlicht in die dampen!
Hoe blies een dwarrelwind de fakkels en de lampen
Al teffens uit! Hoe koos het gansche Hof de vlucht!

BENAJAS.

Wat zag men al gespooks en oorlogs in de lucht!

SABUD.
De Hemel stond in brand, en scheen alom te blaken;
Dat huilen uit den grond, dat bulderen, dat kraken
Verdoofde elks ooren, en verbaasde ons, krak op krak.
Een ieder liep zijns weegs, en koos een hol of dak,
En wat men t reedste vond om dit gevaar t ontschuilen.
BENAJAS.
Die felle hagelbui sloeg vee en menschen builen,
De herders op het veld, de kudden in de wei.
SABUD.
De heuvels galmden luide op t vreselijk landgeschrei.
k Geloof de steenrots gaapt, van al t gedruisch gereten.
BENAJAS.

Den Koning werd de kroon en krans van t hoofd gesmeten,
De wierook en het vat geklonken uit de hand.
Het schijnt, of God, vergramd, alre den wraakboog spant!
Men neem het hoe men wil, dit kan geen heil beduiden.
De Hemel scheurde, en schon het Noorden tegens t Zuiden,
Als heeren, tegens een verbitterd en gestoord.

SABUD.
Men heeft tot driewerf toe een stadgeschrei gehoord.
Hoe is de Cederbeek met d omgelege bronnen
Naar heuren oorsprong toe verbaasd terug geronnen,
Ja, schichtig uitgeschept, tot onder op den grond,
Zoodat men ook den visch op d oevers leggen vond!
BENAJAS.

De maan verloor haar glans, t gestarrent zijnen luister.
De lucht betrok alom, en werd heel zwart en duister.

SABUD.

De Koningin verstak zich diep in t myrtewoud.

BENAJAS.

De Koning heeft zich naauw in een spelonk betrouwd,
Alleen met drie of vier van d allerflukste gasten.
Ik heb hem t wierookvat al bevende aan zien tasten,
En wit en bleek van schrik besterven om zijn hoofd.

SABUD.

Hij had Mevrouwe alre een outerdienst beloofd,
En kon niet weigeren, al zou er t hart af wroegen,
Na zoo veel wederstands, haar ijver te vernoegen.

BENAJAS.

Hij trad, gelijk ge zaagt, tot driemaal toe terug.

SABUD.
Het ongewende paard wil over geene brug,
En wederstreeft een wijl de roede en scherpe sporen,
In t eind verstout het zich, en steekt zijn hoofd en ooren
Al brieschende in de lucht, en vliegt er overheen.
BENAJAS.

Ik zorg, dit onwer spelt ons allerhande wen.

SABUD.

Gij zorregt noodeloos. Wat kan men hier uit ramen?

BENAJAS.
Dat zich de Hemel schijnt des lasterstuks te schamen.
SABUD.

Het dondert overal de wijde wereld door.

BENAJAS.
Aardbevinge, en gedruisch, en storm gaan dikwijls voor
Genakende ongeval, als voorbon van Gods tooren.
SABUD.
Hij vreest te vroeg, die vreest eer t onheil is geboren,
Men maak zich zelven niet elendig vr den tijd.
BENAJAS.
Hij vreest voorzichtig, die d aanstaande straf vermijdt,
De buyen ziet te moet, en tijdig weet te duiken.
Wat element kan God daar boven niet gebruiken,
Tot straffe van den mensch en t menschelijk geslacht?
SABUD.

Gij dient nu meer dan ooit te waken dezen nacht,
Opdat de burgers niet den lusthof overvallen.

BENAJAS.

Ik ga, met macht van volk, den toegang naar de wallen
Bezetten; zonder dat, de kerk en t outer lag
Ten gronde toe verdelgd, vr t krieken van den dag.

BODE, SABUD.

BODE.

Hoe ben ik daar zoo stil, dat mij geen schildwacht hoorde,
Drie muren afgeglen, met hulpe van de koorde,
Om t hof te melden,hoe het binnen is gesteld!

SABUD.

Gij komt ter goeder tijd hier buiten. Nu vermeld
Ons stads gelegentheid. Hoe staat het daar geschoren?

BODE.

D Aartspriester, om t rumoer in zijn geboort te smoren,
Kwam binnen in der ijl, en riep vast overluid:
Mijn kinders! zijt gerust; het onheil is gestuit;
De Koning hoort naar raad: wij zijn dien hoek te boven,
En gaan u voor, om God in t hooge koor te loven,
T ontstaken op t altaar een dankbren offergeur.
Dat liep van straat in straat, en vloog van deur tot deur.
Het onwer van de stad ging daatlijk opdat zeggen,
Gelijk een zomervlaag en bui op t water, leggen;
D Aartsptieater en het volk naar onzen tempel toe;
Daar Arons Priesterdom, van bitter zuchten mo,
Met vreugd de tijding kreeg en t effens al de keelen
En harpen, die den lof des Allerhoogsten spelen,
Aanhieven een muziek, dat in dan hemel klonk,
En schooner dan ooit mensch met sterflijke ooren dronk.
Het gouden outer gaf zijn geur aan alle zijen,
Door t heilige gewelf en Levis galerijen.
De Sanhedrin en t volk viel op zijn aanzicht ner,
En offerde, uit zijn hart, den Hemel prijs en eer;
Den Hemel, die den Vorst, gereed om af te wijken,
Beschutte en zulk een vloek gekeerd had van Gods Rijken:
Gij handhaaft Davids bloed, dat ingewijde hoofd,
En houdt getrouwelijk al tgeen Uw mond belooft.
Men zal, eeuw in eeuw uit, dit jaargetijde vieren,
En slachten U het puik van kalveren en stieren.
Het Zangkoor moet Uw naam verheffen hemelhoog,
En rollen galm op galm door s hemels ruimen boog.
Men zal altaar, pilaar, en muur en binnetransen
Versieren met festoen en onverwelkbre kransen,
Zoo lang de rechte stam van Jesse groeye en bloei,
En alle Afgoderij, Gods vijandin, verfoei!

SABUD.
Dat heet godvruchtiglijk vergaren met malkandren.
Dat klinkt nog wel, indien de klank niet wil verandren.
Hoe lange duurde toch die lofzang, al te blij?
BODE.

Totdat het onwer klonk door koor en galerij,
En donderde in t gewelf, en schudde de pilaren.
Toen zat de zanger stom, toen zwegen pijp en snaren,
Cymbaal, en harp, en bom. Een ieder zag verbaasd.
Het werlicht baarde schrik. Men hoorde met der haast:
Och help, getrouwe God! sta bij, versterk de vromen;
Nu is het met de stad en tempel omgekomen;
De Koning heeft verblind den gruwel toegesmookt.
Wie beeldt u uit, hoe t volk door al den tempel spookt
En tuimelt? hoe het raast? hoe duizenden van zielen
Voorover met een kreet en plat op t aanzicht vielen,
Uit wanhope elk zijn kleed verscheurde, vol misbaar?
Men krabt den boezem op. De handen gaan in t baar.
Men ziet begruisd van stof, en over t eislijk kermen
En huilen zou zich zelf een steenen hart ontfermen.
Hoe bijster ongelijk was dit den eersten toon!
Hoe galmde het gewelf van rouw naar s hemels troon!
Men zag een barrening van schrikken en geschillen.
D Aartspriester zocht vergeefs d ontsteltenis te stillen.
De Vaders hadden werk. Men bidt, men dreigt, men stuit.
Dan och, vergeefs! ontzag had hier al t effens uit.

SABUD.
k Verlang, hoe dit verging, o God! bescherm den tempel.
BODE.

De grijze Nathan had zoo ras niet op den drempel
Zijn voet gezet, of elk zag naar zijn aanzicht om,
En bad hem aan om troost. Het gansche Priesterdom,
De Stamheer, en het volk, en alle kunne en oude
Bedaarden op zijn wenk, verlangden wat hij woude,
Die, traag van ouderdom, in t midden voor hun stond,
Ten troost van Isral ontvouwen met zijn mond.
Nu scheen een ieders hart aan zijne tong gebonden,
En hij, ter goeder tijd, in nood hun toegezonden.

SABUD.
Laat hooren wat hij sprak, om t vollek t ondergaan.
BODE.

Mijn zonen! wacht u van iet reukloos te bestaan;
Beveelt de wraak aan God, die macht heeft zich te wreken.
Ik ga, uit s Hoogsten naam, terstond den Koning spreken,
Dat mij een eerlijk tal van burgerij gelet,
En tuige, of mijne tong hem in zijn boosheid viel.
Dorst Samul weleer van Karmel Sauls boosheid
Bejeegnen, hem de straf van zijne goddeloosheid
Verkondigen; laat zien, of Nathan heden niet
Den Vorst durf melden, hoe de Hoogste dit verdriet.
Verdraagt uw smert, terwijl wij henegaan, geduldig,
En maakt t zelven niet aan Gods Gezalfden schuldig !
Ik boodschap dit vooruit. De heilige Profeet
Genaakt met eene schaar, vol rouw en harteleed.
De Hemel wil den Vorst voor wijder kwaad behoeden!

SABUD.
De Hemel stille deze ontsteldheid der gemoeden!

SALOMON, SABUD.

SALOMON.
Hoe gaat het? Staan de berg en kerk nog overend?
Waar vlood mijn Koningin? Is niemand hier ontrent?
Wat wil dat landgeschrei, zoo woest en uitgelaten?
Waar steekt de muiterij? waar steken de soldaten?
Wat gallem gaat er nog? waar zijt ge, Sabud? Ras!
Mij dunkt de stad valt uit. Waar blijft ge? Benajas!
De hoofdwacht in t gelid, de Krethen en de Plethen!
Bezet den toegang, sluit den draaiboom, span de keten!
Bezet nu straat en poort: bezet de binnestad,
De voorstad en den hof. Wat naar geschat is dat?
SABUD.

De koning zij gerust, en steune op zijn vertrouwden!
De wachten zijn versterkt, de stad en t hof behouden,
Genadigste! hou stand. Hoe heeft ge zoo vertsaagd?
Hoe deist ge dus ontsteld, terwijl ons niemand jaagt?

REI, NATHAN.

REI.

Daar staat hij, wien gij plicht zijn Rijksplicht voor te lezen.
Hoe ziet men hem voor n en zijn geweten vreezen!
Gewis het heugt hem nog, o hemelsche Profeet!
Wat les gij aan zijn jeugd al t ijdel hebt besteed,
Die in den ouderdom uw hoop te leure zette!
Hoe is zijn glorie nu veranderd in een smette!
Hoe dekt hij best zijn schand met Adams vijgeblad!
Hoe viel die schoone star op t einde van haar pad!

NATHAN.

Helaas! mijn zoon, heb ik u hierom opgetogen,
Gekoesterd in mijn schoot? Met welk gelaat en oogen,
In welk een droeven schijn, en anders dan hij plag,
Aanschouwt u Nathan, och, in uwen ouden dag!
Zijt gij dat, Salomon! de grootste Vorst van allen?
Hoe komt gij uit den troon ter aarde nergevallen
Had d Allerhoogste niet (zoo ras de tempel stond
Voltrokken) vast beloofd, met zijnen eigen mond
(Toen u die glans vracheen), de hand san t Rijk te houden,
En dat hier Davids zoons het volk beheerschen zouden,
Eeuw in eeuw uit, indien gij s vaders voetspoor hield,
Of anders, dat dees kerk, met stad met al, vernield
Zon worden, zon gij hem onteerde in zijn geboden,
Door t innevoeren van vercierde en vreemde Goden;
Rampzalige! gij hebt den eersten steen geleid
Tot zulk een gruwelwerk, een pest, die zich verspreidt
Van tijd tot tijd in t land, daar God zijn zetel zette.
Hoe is uw glorie dus veranderd in een smette!
Een rij van koningen bestaat op dezen voet
Den hoogsten Toeverlaat t onteeren, heel verwoed.
Wie kan den gruwelvloed, na zulk een inbreuk, stuiten?
Ik zie Jeruzalem, van binnen en van buiten,
Van Afgon onderdrukt, belegerd, ja, ook zelf
t Afgrijselijke altaar in Arons kerkgewelf
Bewierookt, buiten t vier voor Bloedgod Moloch smooken,
En hoor het schateren van Bals hof en spoken
Zich mengen in t geluid van t kermende offerkind,
En trommel, en trompet, te heilloos en ontzind.
Uw geest en lichaam strijde, o Vorst, van God verbannen!
Damaak en Edom, elk van werzijde ingespannen,
Bestoke uw Koninkrijk van buiten, fel en wreed:
Een derde erfvijand scheure uw Staat (gelijk dit kleed
Aan flarden wordt gescheurd), na uwe dood, inwendig,
En voede een burgerkrijg, wraakgierig en ellendig;
Totdat Jeruzalem en d afkomst der Hebren
Het juk van Assur voele, en diene den Chalden.
Gij, Koninginnen, zult dit stuk ook schendig boeten,
En al uw vaders sten en rijken om zien wroeten,
En trapplen met den hoef van t nijdig Babilon,
Totdat het puin verstuive in d oogen van de zon!
Indien men d oorzaak zoek van ieders plaag byzonder:
De dertle Wellust kreeg door list de Wijsheid onder.
Wie God verlaat en eert den Wellust boven God,
Verbeurt zijn kroon, en wordt zijn vijands schimp en spot.

REI.

Och, Nathan! help die plagen
Af bidden; help ons klagen,
Zoo klagen iet kan winnen!
Hij gaat verstomd naar binnen.
O eertijds wijze Koning!
Wat onschuld, wat verschooning
Kan zulk een stuk verbloemen,
Van geen Hebreeuw te noemen,
Dan met een groot afgrijzen,
Met tranen en met ijzen?
De zon zal morgen schromen,
In t Oosten op te komen.
Wat spring-ar, welke bronnen,
Wat beek, wat watren konnen
U wasschen van die vlekken?
Wis ze! ons schande dekken?
Wien moet het hart niet krimpen,
Die t Heidendom hoort schimpen?
Hoe haast nu d onbesneden,
Uit d omgelege steden,
Gezin, en mans, en vrouwen,
Om hier dien schimp t aanschouwen!
Men hoort geheele troepen
Alre van verre roepen:
De wijsste Vorst van allen
Is Bal toegevallen!
Och, ach! t is tijd gestorven.
Helaas, wij zijn bedorven!
Hoe let de Wet door t voorbeeld Van Salomon veroordeeld!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001