INLEIDING TOT SAMSON OF HEILIGE WRAAK.

„In Samson, zegt Dr. Leendertz in zijn „Leven van Vondel (Meulenhoff en Co., 1910) „zag Vondel niet alleen, evenals in Jephta, Salomo en zoovele anderen een „voorbeelt van Christus, maar ook een bewijs van Gods wijsheid, goedheid en macht, terwijl hij bovendien voor de jeugd een waarschuwend voorbeeld is om „zich van de bekoorlijcke streecken der lichtvaerdige schoonheden te hoeden, waer door zoo veele dappere manne ten val geraeckten. En „wanneer de menschen Godts gaven misbruicken en verwaerloozen, dan ontruckt d’allerhooghste hun Zijne genade. De vergelijking met Christus maakt op Van Lennep een onaangenamen indruk. Sprekende over Samson in zijn geheel zegt hij: „En toch, hoe veel genot wy smaken by de lezing van dit heerlyke brok poëzy, wy mogen het bejammeren, dat de toen heerschende tooneelwetten, en het gebrek van theatralen toestel,Vondel belet hebben, ons hetgeen hier verhaald wordt aanschouwelijk voor te stellen. Nog meer dan met de schoonste beschrijving zou de dichter ons getroffen hebben, indien hy ons hier den Tempel zelven had binnengeleid: indien hy Samson in de tegenwoordigheid der vergaderde Vorsten zijn laatste lied had doen zingen, om hen by het slot daarvan te samen onder het gewicht des lngestorten Tempels te verpletteren. Maar Vondel – ook al ware hy, wat zeer mogelijk is, geneigd geweest, de katastrofe op dusdanige wijze te behandelen – had een te grooten eerbied voor de regelen en voorschriften, door de ouden achtergelaten, om zich zulk een vrijheid te veroorloven. By hen toch mocht nimmer het tooneel met bloed bezoedeld worden. Fedra en Jokaste brengen zich zelve, Klytemnestra haar man en Orestes zijn moeder, achter de schermen om, en ’t is buiten ’t gezicht des toeschouwers, dat Astynax van den toren gesmeten en Polyxena op ’t altaar van Achilles geofferd wordt. Te heiliger hield zich Vondel aan deze overlevering, naarmate Rodenburg, Jan Vos, en anderen, er verder van afweken, die, in hunne navolgingen van Spaansche en Engelsche dramaas, het tooneel herschiepen in een bloedbad, waar, op ’t laatst, niemand overbleef om de overigen te begraven. – Dit laatste is hier het geval niet. De bloedvrienden van Samson, – hier door Vondel wel wat abrupte, doch om aan het bybelverhaal getrouw te blijven, ingebracht, komen het lijk halen, en Samsons geboorte – engel hen wijzen op den toekomstigen verlosser, van wien de zoon van Manoah in zijn dood een type heeft verstrekt. Ik wil dit laatste, in abstracto niet betwisten; doch in dit treurspel, in verband met al wat voorafgaat, schijnt my de vergelijking tusschen den alles behalve reinen Samson en den vlekkeloozen Kristus niet zeer geschikt om een gelukkigen indruk te maken.

Reien, dialoog, en vaerzen zijn wederom meesterlijk, en alles te samen genomen behoort de „Samson onder de stukken van Vondel, wier lezing het meest zal voldoen, en waarop zich onze letterkunde met recht verheffen mag.

Van Lennep kant zich eveneens tegen de inleiding van Dagon:

„Mijn afkeurend oordeel omtrent die inleiding geldt echter alleen het eerste en Vrij overtollige tooneel, de zoogenaamde „Voorrede. Ik weet niet, oft aan my ligt, maar die armoedige, havelooze Dagon, die nog wel op de lijst der personaadjen als „de vorst des afgronts en allergrootste afgodt der Filistijnen wordt uitgemonsterd, en die begint met te vertellen, dat zijn schepter half is opgegeten van de roest – als of de mijnen onder de aarde geen metaal konden leveren om er hem een nieuwen te verschaffen – die Dagon, die zich door een morsigen, vuilen en stinkenden stoet laat volgen en kammen, en die eindigt met in zijn eigen beeld te kruipen, zonder er weder uit te komen als zijn tempel is ingestort, wil my maar volstrekt niet bevallen. De dichter voert hem ten tooneele gelijk elders Lucifer, Apollyon, of Simon Toveraer om, reeds in den aanvang, by den toeschouwer een indruk van somberheid en schrik te verwekken; doch hier mist hy geheel het doel, dat hy zich voorstelt, en in zijn „Adam in Ballingschap” in zijn „Noah” en in zijn „Peter en Pauwels” zoo gelukkig bereikt. Een „grootvorst van den nacht” moet met majesteit spreken en handelen, en ook na zijn val zijn demonische grootheid niet verloochenen zoo dat hy niet alleen afschuw verwekt, maar ook een onwillekeurigen huiverenden eerbied afdwingt: – en de taal, welke hy spreekt, moet den „gevallen engel” niet onwaardig zijn. Deze Dagon echter is geschilderd als een ellendige Bytebauw of Heintje- pik, naauwlijks waard om op een voorstelling van „bezoeking des H. Antonius” een plaats te bekleeden en hy had zich de moeite kunnen sparen om te komen vertellen wat de minste boereknaap uit het Filistijnsche land even goed had kunnen mededeelen Dat relaas van de groote Werken, door Samson verricht, en van diens gevangenschap en kastijding, ’t welk Dagon zich zelven geeft, zonder dat er hem iemand naar vraagt, en als ter verversching van zijn eigen geheugen, had, voor zoo verre het noodig geoordeeld werd, kunnen worden medegedeeld, ’t zij in een gesprek tusschen den Tuchtknaap en de Jodinnen of tusschen deze en Samson, of op andere ongezochte wijze: –of, liever, het had geheel kunnen worden gemist; daar toch al het hier vertelde later nog een en anderwerf wordt opgehaald. Het beste van de zaak is dan ook, dat die geheele Dagon (die niet meer te voorschijn treedt en zeker in zijn beeld onder ’t puin des ingestorten tempels verstikt) zonder schade voor ’t geheel, met al zijn oud nieuws, uit het treurspel kan wegblijven.

Het is niet waarschijnlijk, hetgeen sommigen hebben willen beweren, dat Samson een „heilige wraeck van Vondel zelf zou zijn tegen het gedicht „Tegen Vondels Lucifer , dat aldus begint:

De heilige Ark van Gods verbond
Staat op der Fielesteenen grond,
In Dagons huis, nu Joostens dicht
Den troon van ’t drymael heilig licht,
Waerachtig God, geen Jupiter,
Bestreden trots van Lucifer.
Slaat in een Rijmkist, met gespeel
Ontslooten, op het boos tooneel.

Vooral de polemiek tusschen de verschillende personen of Samson wel op mag treden zou in dit licht belang hebben en het derde en vierde bedrijf zouden dan meer beteekenen dan de dramatische ontknooping. O.i. heeft Dr. Leendertz deze beweringen voldoende weerlegd: „Het wereldlijk en het kerkelijk gezag zijn het eens over de vertooning van „het spel van zinnen waarvoor zelfs de kerksieraden geleend zullen worden. Alleen de „Koorwaerzeggerin , de „grijze non, die welkom geheeten wordt met haar „sleep gewijde nonnen protesteert. Het geschil is tusschen haar en den aertspriester, dus tusschen geestelijke personen onderling, en zij verzet zich niet, omdat zij het tooneel in het algemeen ongeoorloofd acht, maar omdat de godheid beleedigd zal worden, wanneer een ongeloovige in den tempel zal spelen. Ten slotte dreigt zij, dat „De schouburgh moet verzincken. Met Dagons kercke, en al wat aen dien gruwel vast, of koorwaerzeggery, noch ons waerschuwing past. En dat gebeurt ook. Waar is hier de allegorie en de toepassing op hetgeen er bij den Lucifer heeft plaats gehad?

Dan zou b.v. Wittewrongel worden voorgesteld door de „grijze non, die o.a. klaagt Over de beeldenstormerij der Joden. En dan zeker de schouwburg regenten door den Aerstpriester, die wel zegt:

„Tooneelspel was van outs verdienstigh byde Goôn”, maar ook „Dat krenckt het Hooftgezagh te hoog ons toebetrout”  en ( ’t is) „niet geraên den kerckelijcken toom Te laeten glyden.”


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001