Joost van den Vondel (1587-1679)

SAMSON OF HEILIGE WRAAK.

HET EERSTE BEDRIJF.

DAGON

Ick, die den ysren staf, van roest half opgegeten,
Beneden zwaeie, en, in den helschen raet gezeten,
Voorstelle, en sluite wat ten dienst van t zwarte rijck
Wort goet gekent, koom hier te Gaza, d oude wijck
Der geesten, wien het luste in ope lucht te zwieren
Met vleermuisvleughlen, en dit feest te helpen vieren,
Den grooten ommegangk te volgen met mijn stoet,
Die naer den zwavel stinckt, en morssigh, vuil van roet,
Met kromme krauwels kemt mijn pruick, en ruige locken,
Al giftige adders, boos en afgerecht op wrocken,
Gelijckze, t gloeiend nest, den diepen zwavelpoel,
Ontruckt zijn, my tot pracht; het zy ick uit den stoel
Beneden spreecke, of hier in t heiligh kerckbeelt waere,
Daer Dagons priesterdom, eerbiedigh ten altaere
Getren, ter eere van mijn godtheit stieren slaght,
Spijsoffers inwijt, en den grootvorst van den nacht
Met juichen en triomf verwelkomt, en gezangen,
En offerspeelen, daer wij spoocken naer verlangen.
Wat wil t een vreught zijn, als voor onze majesteit
Daertsvyant Samson in triomf wort omgeleit,
Zoo blint gelijck hy is, aen eene dubble keten
Gesloten, en op straet getout, en dicht gesmeten,
Met eene bolpees van den tuchtknaep, die hem stiert,
De schakels van den toom, de keten, ruimer viert,
Of aenhaelt, dat hy rijst, of nerstort van vermoeien,
En t zweet by druppels langs het aenzicht drupt. hier groeien
Ons dienaers by, terwijl die lantplaegh zucht, en steent,
De voorhuitloze Jood, de vloeck van mijn gemeent
Wat heeftze twintigh jaer, en langer al geleden
Van dezen rechter, daer alom de Joodsche steden
Om vierden, toen hy haer verlichte van ons juck,
Een juck wel veertigh jaer bezuurt met smerte en druck.
Zoo veel vermoght de kracht, hem heiloos aengeboren,
Die met de locken nu zoo gladt is af geschoren.
De leeuwentemmer, kort getemt van eene vrou,
Leght mack, gelijck een lam, gesloten in zijn kou,
Bestoven van het meel, kan naulijx adem haelen,
Eet brocken, als een hont. hy grimbeckt onder t maelen,
En knarssetant van spijt, wat plaeghde hy ons vroegh,
Die stout voor Askalon wel dertigh mannen sloegh,
Hun kleeders stroopte, en ging met al dien vrybuit strijcken.
Noch slimmer ging t toen hy, tot afbreuck van vijf rijcken,
Dryhondert vossen ving, hen knoopte staert aen staert,
Met vierwerck, hars, en vlas, en zwavel, hier op vaert
De vlam in t koren, waer zy voor zijn geessel streven.
De hongerige vlam, in t voorslaen noch gedreven
Van eenen stercken wint, zet al het korenlant,
Veel mijlen wijt en breet, in eene zee van brant,
Zoo veele duizenden van Dagons onderdaenen,
Vijf hooftsten, langs de zee, en al t gebiet in traenen.
De wijnbergh mist zijn druif, dolijfboom zijne vrucht,
De korenbloem haer eer. de zeekust kermt, en zucht,
Van Gaza tot aen Geth, daer onze tempelheeren
Spijsoffers, inkomste, en kerckschattingen ontbeeren.
Toen een Thamnijt dees plaegh verstack van zijne vrou,
Bezuurde t gansche lant dien smaet met zulckeen rou.
En schoon de Filisteen dit straften, en den vader
Met Zijne dochter in een zelve vier te gader
Verbrandden, noch sloegh hy uit wraecklust echter voort,
En brackze hals en been. de Filistijns, gestoort
Met reden, quamen fel de Jon beoorelogen,
Die zich onschuldighden, en zelfs, tot recht bewogen,
Den rechter leverden in zijn dootvyants maght:
Toen brack hy koorde en bant, als vlas, door Zijne kracht,
Sloegh duizent helden met een ezels kinnebacken.
Ten leste kwam hy hier in Gaza nederzacken.
Men sloot de poorten toe. de booswicht, loos en valsch,
Rijst s nachts, en neemt stadts poort op zijnen stercken hals,
Stapt recht naer Hebron toe, als met een lichte veder,
En leght stepoort en post op bergh en steenrots neder.
Men bondt hem reis op reis vergeefs met tou en snoer,
Tot dat zijn boelschap loos de zeven locken schoer,
Het broeinest van zijn kracht. wy, meester door haer treken,
Verzuimen niet hem bey d ooghappels uit te steecken,
Te tuchtigen. nu zit hy hier te Gaza vast,
Jerusalem ten schimp. De maght van Dagon wast,
En groeit geweldigh aen. wy gaen de Joden stooren,
Brantschatten, om de scha te boeten van ons koren.
Het hof van Dagon is met reden voor den geest
Van onze erfvyanden, het Jodendom, bevreest,
Dat met de Godtsdraght en zijn kistspel, heet op wreecken,
Ons godtheit noch eens dreight met kracht den hals te breecken,
Te bonzen van t altaer, waerom ick, schalck en stil,
Als in slaghorde, my hier tegens kanten wil.
Ghy allen zult van daegh, vermomt, vernist met glimpen,
En schijn van heiligheit, het Jodendom beschimpen
In Samson, die zoo lang mijn heirkracht onder hiel,
Het voorhuitloos gebroet, dat in ons erfdeel viel,
Zoo veel geweldenaers, die gon en menschen plaegen,
En onder schijn van recht en godtsdienst, moorden, jaegen,
Beeltstormen, branden, en schoffeeren, zullen zien
Dat Dagons maght, en kracht den sterksten kan gebin,
Die t hooft der vreeselijcke en hooghgewasse reuzen
Durf met een kaeckebeen, zijn knodts, te mortel kneuzen.
Een ieder vaer, daer hy zijn personaedje speelt:
Wy gaen ons zetten in t helheiligh outerbeelt.

TUCHTKNAEP. SAMSON.

TUCHTKNAEP.
Verblinde Jood, ga voort, nu is t geen tijt van treuren,
Het is genade, die u heden zal gebeuren,
Dat ghy wat adems schept. de vorsten, alle sten
Vergaderen op s lants triomffeest hier by een.
Ghy zult nu bundeling den ommegang bekleeden,
En voor ons heiligdom geketent heenetreden,
Bestoven van het meel. verdraegh het met geduit.
Al schimpt het volck: genoegh dat ghy niet maelen zult,
Dewijl het vierdagh is. komt iemant u belachen,
En wiltghe danssen, t zal u vry staen gelt te prachen,
Of vleesch, of tarwekorst. verneemtghewat geschals,
Gerucht van menschen, klinck de bel om uwen hals.
Uit mededoogen kunt ghy noch een gaef genieten,
Tot nootdruft in dien stant, vol onlust en verdrieten.
De tuchtvooght heeft u dit om t hooghtijt toegestaen.
SAMSON.
Nu schep ick lucht. is t nacht? of schijnt de halve maen?
TUCHTKNAEP.

De zon schijnt uit de kim in velden en landouwen,
Voor menschen, waerdiger het hemelsch licht t aenschouwen
Dan Samson, die zich zelf verstack van s levens troost.

SAMSON.
Waer stappe ick by den tast, ten zuiden, of in t oost?
TUCHTKNAEP.
Op Dagons kerckhof, by het princenhof, daer d eicken
Den gront beschaduwen, en met hunne armen reicken
Tot boven aen de lucht. nu volghme by den tast.
Ick stuite u met den ring van uw halsketen vast
Aen dezen hollen eick, een hol om in te schuilen,
Wanneerghe, moe beschimpt, belust wort uit te pruilen.
Ghy mooght hier uit en in, en prachen met de schel;
Terwijl ick in het hof uw tuchtvooghts streng bevel
Uitvoere, zoo t behoort. ghy moet u zedigh draegen,
Of deze bolpees zou u met de huit vol slagen
Begroeten: want de straf hout bozen aert in tucht.
Misbruick de gunst niet van den tuchtvooght. zoo ghy vlught,
En niet ontvlught, gelijck t onmooghlijck is t ontsluipen,
Dat zou u schrickelijck en fel in d oogen druipen.
Men zou, naet geeslen met een taeie bondel ron,
Uw taeck en arbeit noch verzwaeren, en u voen
Met haverkorsten, of gemaelen bry van schorssen.
Ghy zoudt naet maelen noch het branthout moeten torssen,
En kloven, tot een boet van uw moedtwilligheit.
Ick ga ten hove, daer de tuchtvooght my verbeit.
Ghy tuchtwacht, hou u hier om t kerckhof. sla hem gade.
De wacht is u betrout, op s vorsten ongenade.
Het yzer wort door gout en list by wijl gekrenckt.
Een arm gevangen vorst bedenckt dat niemant denckt.
REY VAN JODINNEN.
ZANG.

Wy dienen ons wat in te toomen,
   Beschroomt aen eene zijde heen
In schaduw van dees kerckhofboomen
   Te duicken. vrouwen van Hebreen
Zijn al te kenbaer by Gazanen.
   Wat s dit een heerelijcke kerck!
Hoe krielt de stadt van onderdaenen,
   En burgeryen! wat een werck
Is t hof, ten hemel opgetogen.
   Wat galeryen zienwe hier!
De marmerpijlers draegen boogen
   Ten trots gewelft. wat staet het dier
Zoo groot een kerck in top te bouwen
   Tot aen de starren. reuze kracht
Heeft uit de rots arduin gehouwen,
   Dit uitgevoert met volle pracht.
Och, kende Godt hen voor zijn vrienden!
Och, ofze Belzebub niet dienden,
   Noch Dagons beelt, noch Astaroth,
   Maer t eenigh wezen, Jakobs Godt!

TEGENZANG.

Dat lot is ons ten deel gevallen,
   En niet den blinden Filisteen.
Wat baeten hoven, stercke wallen,
   Geweer, en wapens? Godt alleen,
By ons bekent, is erfbeschermer
   Van zijn verkoornen. geen gesticht,
Hoe hoogh gebout, noch gout, noch marmer,
   Behaegen hem, die zijn gezicht
Van afgon keert, en hunne klancken,
   En kerckgezangen. wieroockvat,
En geur van afgon acht hy stancken.
   Spijsofferhanden, pracht en schat
Van afgodisten, ongetrouwen
   Mishaegen hem. wat zal men niet
Al gruwelen van daegh aenschouwen!
   Hoe zullen wy, tot ons verdriet,
De priesterdommen en lantsheeren
Zien over Samson triomfeeren.
   In Dagons ketenen beknelt!
   Helaes, waer toe verviel Godts helt!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001