1. Zij kreeg een zoon, Abraham.
  2. Volgens vele tegenwoordige schrijvers zou men haar alleen gedreigd hebben of zou haar alleen gezegd zijn dat ze groote gevaar liep verbrand te worden.
  3. Men is het er algemeen over eens, dat niet Sara maar haar jongr zuster Anna naar Antwerpen terugging.
  4. Tegenwoordig Grosse Witschgasse in het huis „zur Fyolen”. Fyole is hier volgens Leendertsz niet de naam van het muziekinstrument, maar die van de bloem hetgeen zou blijken uit de passage in „Olijftack aan Gustaaf Adolf.” en den „Geboortklock”:
    Komt, Nymphen, breyd een’ stool.
    Van bloemen hem, die ’t licht eerst sagh in een’ viool.
  5. De door Leendertsz bedoelde passage in den „Olijftack” waarbij op het huis gezinspeeld wordt en viool de beteekenis van bloem heeft.
  6. Gregorius van Neocaesarea, ten tijde van Keizer Decius (gestorven in 265).
  7. Beteekent, dat hij veertien jaar in de stad woonde. Dit is voor degenen, die niet in de stad geboren zijn.
  8. Dit heeft met het betoog zelf weinig uit te staan, ook kan Brandt het gezamelijk voortzetten van den handel als een begin opgevat hebben.
  9. Voor nadere bijzonderheden raadplege men de inleiding tot Palamedes.
  10. Leendertsz zegt naar aanleiding hiervan: „Brandt en de velen, die hem dit hebben nageschreven, oordeelen hier uit sympathie voor Vondel onbillijk over den Prins. Deze was er de man niet naar, om zich door vrees te laten leiden. Evenals Maurits en Willem I was hij verdraagzaam en deed wat hij kon, om vervolging en kwelling van andersdenkenden tegen te gaan. Dissenters als Roomschen en Doopsgezinden werden door hen zooveel mogelijk beschermd. Doch zij konden niet alles en moesten vermijden, wat aanleiding kon geven tot strijd. Men overschat echter de positie van Vondel, als men denkt, dat er onlusten of moeilijkheden ontstaan zouden zijn, wanneer de Prins op een of andere wijze dankbaarheid getoond had, voor de tot hem gerichte lofzangen. Er was een andere reden, waarom hij geen dankbaarheid toonde, nl. dat hij niet dankbaar was. Al deelde hij in de politiek niet geheel de inzichten van zijn broeder, er is geen grond om te vermoeden, dat hij Maurits haatte. Toch had dat het geval moeten zijn, als hij het aangenaam vond geprezen te worden ten koste van zijn broeder in gedichten, waarin deze zoozeer miskend werd. Die gedichten terugzenden, dat ging niet: hij kon toch niet met een gewone burger gaan redetwisten over de verdiensten van Maurits. Zwijgen, met geen enkel woord antwoorden, dat was het eenige, waardoor hij zijn ontevredenheid kon te kennen geven. Maar Vondel was hovehng noch diplomaat, en voelde dit niet. Hij kon niet begrijpen, dat Zijne welgemeende hulde onaangenaam zou zijn, en ging dus door met zijn lofzangen. Eindelijk zag hij het in en heeft toen, na 1632, verder gezwegen.”
  11. Volgens Leendertsz reeds 1626.
  12. Azijn.

Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001