Joost van den Vondel (1587-1679)

Z U N G C H I N

OF

Ondergang der Sineesche Heerschappye.

Aļ. 1666

E E R S T E   B E D R I J F.

ADAM SCHAL, REI VAN PRIESTEREN, US.

ADAM SCHAL.
Hier staan we op ít voorhof van het keizerlijk Peking,
De voorstad van heel Sine, en zien aan ís hemels ring
De zon alreÍ gedaald, den Noordbeer opwaart stappen
En steigeren in top, lange tweewerf twintig trappen.
Zungchin, de keizer, daagde ons uit de stad ten hoof,
Na van Lykungzus heer beronnen, en ten roof
Arglistig aangezocht onjammerlijk benepen,
Gelijk een blatend lam, van ís wolfs gebit gegrepen.
Wat raad? hoe dragen wij ons best in dit geval?
De krijgskans twijfelt, aan wat kant zij hellen zal;
Wij staan in ít midden van de vijanden en vrienden.
Bezwijkt de rijkskolom, die ís keizers standert dienden
Met raad of daden, werk of woorden, gaan te grond;
Doch sterven van een pijl of speer of sabel stond
Ons licht, naardien we, ontbloot van goed en bloed en erven,
Dus verre in ít Oosten uit Europe, als pelgrims, zwerven,
Om, ongeloovigen uit blinde Afgoderij
Verlossende, het juk van ís Afgtonds slavernij
Te schuiven van den hals, gelijk Sint Thomasí leering
Den grondateen leÓde van der Heidenen bekeering;
Maar sterven we, zoo staat de Kruisoogst in gevaar,
En zulk een arbeid van drie-vijfentwintig jaar,
Om zaad te winnen, zou verdwijnen met ons leven.
De Hoogste wil ons raad, zijn naam ter eere, geven,
Opdat het Kruisgewas van ít wijd Sineesch gebied,
Dat schoon en heerlijk staat, eens in zijne ‚ren schietí,
In zulk een zegen, van dit rijk en ís rijks geburen
Gemaaid, behouden rake in ís Hemols ruime schuren.
REI.

Eerwaarde Vader Schal, die ít Roomsche Priesterdom
Zorgvuldig gadeslaat, wij staan bereid, alom
Te volgen uwen last, en geen gevaar te mijden,
In deze oproerige en staatwisselbare tijden,
Nog ongestadiger dan ít ongestadig licht
Der mane ons toeschijnt met geen eenerlei gezicht,
Naar dat ze van de zon belonkt wordt en beschenen.
Wat spoed of rampapoed God zijn knechten wil verleenen,
Wij staan gelaten: het besla tot ís Hemels lof!
Een dankbaar harte ontbrak ten geenen tijden stof,
Den Allerhoogste een schaal vol reukwerk op te dragen.
Hij leeft gerust, die zich Gods schikking laat behagen.

ADAM SCHAL.
De grijze kansler Us treedt, leunende op den staf,
Ter hofpoorte uit, en stijgt de marmre trappen af,
Bekommerd met den staat en zwanger van gedachten;
Het zoo wel voegen in dees galerij te wachten.
Begeeft u achter ons in orden op een rij.
Hij wandelt herwaart aan. Het is gera‚n, dat wij
Met alle eerbiedigheid den amptenaar ontmoeten.
Verzuimt niet driewerf hem, al neigende, te groeten.
US.

Eerwaarde Vader Schal!

ADAM SCHAL.

                                            Doorluchtste aartskanselier!

US.

Uw komste is aangenaam.

ADAM SCHAL.

                                                Dat oogmerk drijft ons hier.

US.

Gij komt ter goeder tijd met uwe altaargenooten
Door ís Keizers last ten Hove, omdat hij heeft besloten,
In ít nijpen van den nood, zich mag van uw gebeÍn
Te dienen; want gij stemt godvruchtig overeen
Met onze wijzen, die het Keizerdom bestieren.
Uw stammewijsheid en getrouwheid en manieren
Behagen hem ten hoogste en zonder wederg‚.
Bedaart dees oorlogsstorm, betrouw u zijn gen‚.

ADAM SCHAL.
Wij staan in ís Keizers dienst ten hoogste al lang gehouden.
Onze onmacht blijve slechts verschoond en kwijtgeschouden.
De mond der Kruiswet van Gods Zone en God het Woord
Gebiedt den Kristen, wat den Keizer toebehoort,
Zijn tol en schatting, hem oodmoedig toe te wijden.
Wij waken nacht en dag, in deze wilde tijden,
Voor ít keizerlijke hof en ít gansche Keizerdom,
En offeren gebeÍn in kerke en koor alom.
De God der Goden wende ons zwarigheÍn ten goede!
De burgerlijke twist is eene scherpe roede.
Wat raad, wat middlen ons te lesschen zulk een brand?
US.

Men voert de waterspuit te spade bij der hand,
Wanneer de vlam in ít hof ten hemel komt gestegen,
Díorkaan daaronder blaast en stookt, en alien wegen
De wijken zet in vier, en weidt de straten af.

ADAM SCHAL.
Ik wenschte dikwijl, dat mij iemand reden gaf,
Hoe deze inheemeche vonk eerst smeulde en raakte aan ít smoken.
Hier wordt wel stukwijs, nooit volkornen, van gesproken.
US.

De brand heeft al gesmeuld van over menig jaar.
Het eischt een lang verhaal en lankheid valt te zwaar;
Indien men van den stam Taiminga wil beginnen,
Het was HunguŁs, die, geboren tot verwinnen,
Den Khan naar Tartarije uit Sinaís palen dreef,
En slag op slag in ít veld zeeghaftig meester bleef,
Dies hem de sluyerkroon des rijks wierd opgedragen;
Na hem rust Sina niet Niuche fel te plagen,
Verbiedt des konings bloem te trouwen een Tartaar,
En brengt haar vader om; dat valt den zone zwaar,
Die berst ten rijksmure in, en wist Tuxin grootdadig.
Nog zoekt hij peis, maar werd van VanliŽus smadig
En trotsch bejegend; dies de wraaklust hem beving,
Dat hij de sabel zwaaide in ít aanzicht van Peking.

ADAM SCHAL.
Hoe treurde ons Kruisgeloof, zoo heerelijk aan ít bloeyen,
Toen Xinkio, van nijd, noch bloeyen kon noch groeyen,
En VanliŽus ried, het kruis, den vromen wijk,
Met onze broederschap te bannen uit het rijk.
US.

Dat heeft Taimingaís stam een grooten krak gegeven.

ADAM SCHAL.
Macao ís Keizers zaak in zulk een nood gesteven,
Met busseschietren en kortouwen van metaal.
Zoo raakte ít flauwe Hof aan a‚mtocht en verhaal.
US.

De tijd gehengt niet, in ít byzonder nu te spreken,
Hoe ít wankele avontuur noch regel houdt noch streken,
Maar tuimelt om en om, gelijk een draayend red.
Wie hier aan hangt, en houdt hetgeen hij eenmaal vat,
Zit midden in, of raakt dan bovon op, dan onder.
ít Gestarnte, aan ís hermls kloot gehangen, draait niet ronder,
Dan ís werelds staten, nooit in stilstand en in rust.
De roovers winnen veld en boeten hunnen lust,
Totdat Lykungzus, ít hoofd der rooveren, met rooven
Alle andren dempt en zich heel Sina durf beloven,
Zoodra, hij meester van het Noordsch geweste in ít kort,
De keizerlijke naam hem opgedasgen wordt,
Om vratige amptenaars, die de onderdanen pletten,
Een muilprang op den muil, het volk ten zoen, te zetten.
Hij toonde een schoon gelaat, en scheen een ieders vriend.
Het volk, met streelen en zacht handelen gediend,
Schept adem, valt hem toe. Tienkius komt te sterven,
Zungchin geraakt aan ít rijk, en, om geen gunst te derven,
Besnoeit besneÍnen en Guieius, al te hoog
In macht gesteigerd en den oversten in ít oog.
Dees, onder schijn van eer, gezonden naar de graven
Den oude keizeren, ontvangt in ít henedraven
Een goude doos, waanin eon zijdo koomde left;
Dies worgt hij zich, door last der hoogste majesteit.
Nog wint Lykungzus veld. Zungchin, om dezen roover
Te stuiten, werft een heer, dat loopt weÍrspannig over.
Zoo komt dí aartsvijand, die ons machten ziet gezwakt
En oversten gedeeld, tot hiertoe afgezakt.
Zoo tweedracht en verraad inwendig ons niet deeren,
De krijgsmacht en ít geschut is machtig, hem te keeren.

ADAM SCHAL.
Zoo ít eeuwig wakende oog te nacht op schildwacht staat,
Ontzie de stad en ít Hof noch tweedracht noch verraad.
Wij willen met gebeÍn, het rijk ten beste, waken.
US.

Begunstig, naar uw macht, de keizerlijke zaken!

REI.
Ie ZANG.

Bescherremheer, wiens wakkere oogen
Nooit sluimeren op ís Hemels wacht!
Bescherm, door ít eeuwig alvermogen,
Den grooten Keizer, in zijn kracht,
En dí afkomste uit Taming gesproten,
Die, schier drie eeuwen achtereen,
Den wreeden Khan keerde onverdroten,
Hoe vreeslijk hij in ít veld verscheen.
De vijand mag vrij bosschen planten
Van veldstandaarden, en den wal
Met stormslotdragende elefanten Omcingelen en luid geschal
Van dolle en brieschende oorlogspaarden
En krijgsklaroenen, heeach van keel;
Wij zwichten voor geen veldstandaarden, Noch elefanten, noch kameel,
Noch geen ontelbaar heer van buiten,
Indien
Uw macht geweld wil stuiten.

Ie TEGENZANG.

Dat is voorhene klaar gebleken:
Sennacherib van Ninivee
Bedekte met zijn heer de streken
Van Samarye en Sion meÍ.
De koning Ezechias treurde,
Doch Ezaias troostte hem,
Toen bij, vol druks, zijn purper scheurde, Belegerd in Jeruzalem.
Rabsaces stofte voor de veste,
En lasterde den waren God,
Die hoorde ís volks geschrei ten leste,
Schoon dí AssyriÍr hiermede spot.
Een Engel komt het heer aanrennen,
En velt ter aarde, met ťťn slag,
Ontrent twee honderdduizend mannen,
Geteld in ít opgaan van den dag.
Als dí Opperste wil ooreloogen
Dan baten pansers, zwaard, noch bogen.

IIe ZANG.

Och! kon men ít Aziaansch Europe
Herbaren door een hemelsch zaad,
Tot eene levendige hope
Op God, der vadren toeverlaat,
En zijnen zoon, die zonder smetten
Van de aarde steeg in ít hemelsch rijk,
En eerde Cezar Kristusí wetten~
Den grooten Constantijn gelijk; Ė
Men zag de vijanden gevloden,
Gelijk het kaf verstuift voor wind,
En ít kruis geplant in hun pagoden,
Te lang in ís Afgronds nacht verblind;
ík Zag guichelaars en wichelaren,
En Epkuurs verdwaald gebroed,
Voor Kristusí onbebloede altaren,
Gezoend met God door ware boet.
Regeerde dan de vorst van vrede,
Het zwaard zou rusten in de schede.

IIe TEGENZANG.

Besloot het hof een straf te zetten
Op dí ongetoomdheid, die God tergt
Door nimmer noembre gruwelsmetten,
ík Zag Sine, in strandensnood, gebergd.
Wat baat het, dat Sineesche wijzen
De Godheid kennen, en haar niet
Naar eisch van zulk een kennis prijzen,
Zich buigende onder Gode gebied?
Nu geeft hij ze aan hun lusten over
En lasterstukken, zonder maat;
Zij staan, ten doele van den roover,
Die naar de kroon van ít Oosten staat.
Een springvloed van gevloekte plagen
Verheft zich. Heer, beschut het rijk!
Laat onze voorbede u behagen;
Gen‚ beslechte alle ongelijk!
Gij kunt verraad en tweedracht teuglen; Beschut ons, Heer! met uwe vleuglen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001