Joost van den Vondel (1587-1679)

Z U N G C H I N

OF

Ondergang der Sineesche Heerschappye.

Aļ. 1666

T W E E D E   B E D R I J F.

KOLA‹S, ZUNGCHIN.

KOLA‹S.

De Keizer wandelt door de hofzaal hene en weÍr,
Dan ras, dan langzaam, zwaait met eenen korten keer,
Of daar de goude wand hem stuit in zijn gedachten.
Bij wijlen staat hij stil, en mompelt, dat de wachten
Het hooren aan ít poortaal, en twijfelen ontsteld
Of ít ernst is. Niemand durf, eer binnen wordt gescheld,
Ter kamer intreÍn en hem vragen ongeroepen.
Bij wijlen treedt bij uit, daar met gedeelde troepen
De mandarijns en hofbesneÍnen staan bereid,
En wachten op den wenk der hoogste majesteit.
De Keizer ziet hen aan, mistrouwt gestrooide maren,
En wenscht getrouwen en vermomde weifelaren
Te schiften; maar natuur, in ít vormen van den mensch,
Schiep geene venster in den boezem, om naar wensch
Het hart, den schuilhoek van geveinsdheid en ontrouwe,
Te kennen, en bespiÍn wat ongeval men brouwe.
Al draagt de majesteit den naam van ís Hemels zoon;
De hartekennis blijft een parel aan de kroon
Des Alleroppersten, ontdekker der gepeinzen.
Bij Hem geldt mommerij, noch valschheid, noch ontveinzen,
De Hemel dreigt ons met een orelogsorkaan
Te storten op de stad. Het moet er nu op staan.
Hier zal den ganschen nacht geen oog geloken worden.
Al ít hof, aan ít woelen, schijnt te spatten uit zijne orden.
Daar treedt de Keizer aan, in ít geele prachtgewaad,
Geheiligd tot zijn dracht. Hoe treft mijn tong de maat
In ít spreken, dat de klank hem lieflijk klinke in dí ooren

ZUNGCHIN.

Hoe staat het in de stad en op den muur geschoren?
KolaŁs, mijn getrouwe en vaste toeverlaat,
Aartsstedehouder van mijn krijgsgeweld en staat,
Wij slapen op uw wacht en vaderlijke zorgen,
En achten ít Keizerrijk behouden en geborgen,
Zoo lang oprechte trouw, te roer gezeten, waakt.

KOLA‹S.

O zoon des Hemels !wie u afvalt en verzaakt,
Wij troosten ons bij u het leven op te zetten,
Hoe scherp de vijanden de sneÍ der sabel wetten.

ZUNGCHIN.
Hebt gij de maatschappij der Kruisbaniere ontboŰn?
KOLA‹S.

Zij kwamen dadelijk, ten stut van uwen troon,
En offeren gebeÍn aan ít Kristensche outer binnen
Voor Gode en ít kruis, waarin hun Keizers overwinnen,
De wederspannigen Zion storten in den stroom.
Dan rukken ze, vol moeds, met vollen ren en toom,
De poort der hoofdstad van Europe in met hun paarden,
Tot dat ze zegenrijk de slang der Kruisstandaarden
In dí aarde planten, op den afgestormden wal.
Zij streven voor uw krone, in allerlei geval,
Dat vijftien landen lof van hunnen ijver spreken.

ZUNGCHIN.

Hunne ongekreukte trouw is openbaar gebleken
Aan onzen voorzaat, door de hulp van Poortugaal,
Gezonden uit Macau. Zij blonk, gelijk een straal,
In Zunignatius, den fenixheld, die garen
Zijn ziel in bloed vergoot, en roovers noch Tartaren
WoŻ dienen, ook een kroon versmaden kon, om niet
Te weiflen, tot bederf van Sinaís hoofdgebied.
Wij wenschen met een rijk ís helds leven nog te hoopen,
Want sedert zijne dood is dí oorlogskans verloopen;
Maar nu, hoe staan we met de muren en de poort?

KOLA‹S.

Gelijk een winterwolf, bijkans in sneeuw gesmoord,
Van magren honger voor de schaapskooi huilt, beladen
Om met onnoozlen roof zich zelven te verzaden,
Zoo spookt Lykungzus vast, na dí ondergaande zon,
Of hij met list of kracht ter poorte inbersten kon,
Doch wordt, waar ít leger stormt, geschut van ís rijks bezetting.
Mijn ronden schouwen haar gansch zuiver van besmetting,
En honderd duizend sterk. Kortouwen op hun ra‚n
En kopre affuiten, en met kogelen gela‚n,
Van buskruit zwanger en geweld van donderkloten,
Ontzien geen stormram, noch zijn horens, stomp gestooten.
Het vierkant van den muur staat overal in vier.
De bliksems slingren, dat de blikken van dien stier
Verdraayen in het hoofd, en hij, aan ít suizebollen
Van donderslag op slag, in ít veld komt nederrollen,
Op zijnen ijzren rug, de voeten steekt van een,
En lilt, als dí offerstier voor ons pagoden heen,
Wanneer de bijl hem trof. Hier spreekt het hoofd der steden
Uit zijn metalen mond, de leste en sterkste reden.
Dan schreit de vijand, waar ít geschut de beenders kraakt.
Dan trekt de roover af, die eerst zoo trotsch genaakt.

ZUNGCHIN.

Nog rust hij echter niet den krijgsman moed te geven,
Om langs de stormleÍr en de stormkat op te streven.
Laojang, wel voorzien van bussen, hiel een wijl
Den Tartar tegen, slechts gesterkt met boog en pijl
En planken voor de borst; nog werd de stad gewonnen
Aan vier gewesten, en van ruitren overronnen.

KOLA‹S.

Die stad, in ít laden van haar donderbus te traag,
Gedeeg dees traagheid tot een droeve nederlaag;
Wij vechten, afgerecht op bussen en musketten.

ZUNGCHIN.

De roover kwam, vol moed; den slijkstroom overzetten,
Die Xensi met gedruis van ít vruchtbre Xansi scheidt.
Hij sleept Kiancheu meÍ, dat op den oever leÓt.
Thaiven ontstond hen niet. KolaŁs kwam te spade,
Uw onvertsaagd genan, en, bang voor ongenade,
Verhing zich in het woud; en hadde ik toen Peking
Verlaten en Nanking gekoren, om den spring
Des orelogs tí ontgaan, men zat hier niet belegen.
Men hield me, tusschen raad en onraad, machtig tegen.

KOLA‹S.

Getrouwen hebben u misraden noch misleid.
Dees stad is dubbel sterk door tegenwoordigheid
Des keizers, wiens gezag, tot heil der onderzaten,
Nog meer vermag dan een bezetting van soldaten.

ZUNGCHIN.

Men troostte ons met de hulp der landen, die getrouw
Van alle kanten naar dees hofstad streven zou:
Dat miste; en och! indien de strijdbare Amezone,
Die fier Cingtu ontzette, in dienst van onze krone
Verschenen waar, nu zich geen onderkoning rept,
Peking hadde adem uit haar dapperheÍn geschept;
Want zij de stroopers, die de wraak des keizers tergen,
Als stomme kudden, dreef naar wildernis en bergen,
Vanwaar ze sedert dus, in krachten en getal,
Aangroeiden, dat ze ons hier braveeren voor de wal.

KOLA‹S.

ík Vertrouw, zij zullen u niet lang voor ít hof braveeren.
Daar komt dí aartskanselier met eenen stoet van heeren!

ZUNGCHIN, KOLA‹S, US.

US.
Genadigste! wij staan onzeker met de wacht,
Gedurende den storm, in ít vallen van den nacht.
De strooper, toen de zon in ít gras begon te vallen,
Kwam stil, gelijk een dief, aansluipen voor de wallen,
Maar voerde ít volk ten storm, na ít ondergaan van ít licht.
Dat ís tegens krijgsgebruik; want met den avond zwicht
De stormer tot den dag, en dit geweld blijft duren.
Men plag, om niet ontdekt te worden, ís nachts de muren
Van eenen oord, die niet bewaakt wordt en voorzien,
Op ít loos verwittigen en voortreÍn van de spiÍn,
Al stil te naderen, en, zonder iet te momplen,
Na ít oversteigeren, langs laddeer tí overromplen;
Doch openbaar een muur, van oorlogsvolk gepropt,
Van donderbussen en kortouwen overkropt,
Te tergen voor de vuist, geeft allerlei bedenken
Of hier verraad meÍ speelt, en, op ís verraders wenken,
Dit, tegens oorlogsstijl, hij eene heldre maan,
Wordt aangegrepen; want een reukeloos bestaan
Legt doorgaans achter, of beslaat ten minste zelden;
Dies legt het over in den raad den oorlogshelden.
ZUNGCHIN.

Gij spreekt niet ongegrond; uw voorstel rust op reÍn,
En stemt volkomen met onze inzicht overeen.
Wat dunkt KolsaŁs? Zoo verraad de stad ontwapen,
Dan is het jammerlijk met ons en ít rijk geschapen.

KOLA‹S.

Behoudens ís kanslers eer, dit riekt naar onbescheid,
Van dí openbare daad bescbaamd en wederleÓd.
Verraad steef ís roovers macht, en bracht veel steden onder;
Dat bleek voorheen te klaar; dotch hier getuigt de donder
En bliksem van geschut en bussen, welk een kracht
Van tegenstand men biedt, een ieder op zijn wacht.
De stadsbe.zetting waakt met honderd duizend oogen,
Waar tegens weinige verraders niet vermogen
Ter sluik te werken, of het wordt terstond ontdekt.
Verraderij bestaat bij velen, en dit lekt
Te lichter uit. Eťn hoofd alleen kan niet bedrijven:
Het hoeft handhavers, die dit werk op macht van schijven
Voortrollen, of het steekt in ít midden van zijn vaart.
De storm drijft over, en de ontstelde lucht bedaart;
Kortouwen zwijgen stil. Men stormt alleen bij vlagen,
Wel driewerf achtereen gestuit en afgeslagen.
Verrees de zon, men vloog door zes paar poorten uit,
En overrende ít heer, en deelde een rijken buit.

US.
Dees storm, bij vlagen, sterkt mijn achterdocht en vreezen.
KOLA‹S.
Wie kan u helpen en uwe achterdocht genezen?
Zij kent geen palen, als een onbemuurde stad.
Het achterdenken schrikt voor ít ritslen van een blad.
US.
Wanneer de stormram rust de poort en muur te beuken,
Dan krijgt de list gehoor, om stil de trouw te kreuken,
Te krenken door gesprek.
KOLA‹S.
                                              Dat hoort de gansche stad.
US.
Men spreekt de schildwacht door de holte van een spat.
Wie kan vernemen, wat men hier in dí ooren luistert.
Omtrent een toren, daar de schaduw ít oog verduistert,
Het schijnsel van de maan den fluisteraar niet meldt?
Dan weet de vijand, hoe ít van binnen is gesteld,
Waar ít sterk of zwak is, om de stormleÍr aan te voeren,
Gewenkt van weifelaars, die hunne ziel verzwoeren,
Bekoord door hoop van staat en ampten, zoo ít gelukkí,
Dat ongerechtigheid het wettig recht verdrukkí.
KOLA‹S.

Gij voedt uwe achterdocht met ijdele gedachten.

US.

Wat beuren kan, staat den voorzichtigen te wachten.

KOLA‹S.

Wie kan bedenken, wat gebeuren mag of niet?

US.

Hij is niet dwaas, die wat gebeuren kan voorziet.

KOLA‹S.

Dat eischt een Godheid; wij zijn menschen, geene Goden.

US.

Zie tijdig toe, en sterk met nadruk uw geboden.

KOLA‹S.

De hofstandaarden staan strijdvaardig, op mijn woord,
Elk op zijn hoefslag, op de wal, en aan de poort.
De ronden rusten niet elkanderen tí ontmoeten,
Men staat bereid, de sch‚, waar inbreuk valt, te boeten
Met versche noodhulp, die noch sluimert nochte slaapt
In wederstand te biÍn, te stoppen waar het gaapt.
De zon in ít opgaan zal de torenwacht ontdekken,
Met welk een nederlaag de stormer af moet trekken.

US.

Het schijnt, gij schat de macht der vijanden te kleen.

KOLA‹S.

Ik weeg ze in eene schaal van krijgservare reÍn.

US.

Hoe vindt men dan zooveel flauwhartige kornellen?

KOLA‹S.

Een bloodaard kan zich om een klein gerucht ontstellen.

US.

Men had bloohartigen dan nutter uitgezift.

KOLA‹S.

Zí ontveinzen hunne vrees met schijn van oorlogsdrift.

US.

Men mag bloohartigheid, maar geen verraad verschoonen.

KOLA‹S.

Gestreng in ít straffen, mild en rustig in ít beloonen
Van ontrouw en van trouw, zet staten in hun kracht.

ZUNGCHIN.

Stadhouder, hof, en stad verlaat zich op uw wacht.
Ontbreekt het aan gezag, gij hoeft ons niet te sparen.
Verschoon geen grooten, noch besneÍn, noch amptenaren.
Elk vliege van uw hand; de nood lijdt geen verdrag.
Hoe stil is ít overall Wij hooren geen gewag.
Het schutgevaarte zwijgt. Men blaast trompet noch horen.
Geen wachters slaan geluid uit tinne of hoogen toren.
Wij durven hopen, dat het hart des vijands zonk,
Toen hem ít salpeterlicht te sterk in dí oogen blonk.

KOLA‹S.

De krijgsfaam zal hier haast aansnorren op haar veder.
Zoo dit den vijand smaakt, hij keerí vrij echter weder.

REI.
Ie ZANG.

O lichten, Rijkaart en Trigau,|
Die dí eersten met uw maatschappije
Ontsloot het slot van ít ongastvrije
Rijk Sine, en, als een morgendauw,
De dorre ziel, die schier verstikte,
En, diep in blinde Afgoderij
Gesmoord, ten lange leste blij
Door troost der kruisgen‚ verkwikte;
Gij voerde uw kruisvaan, als voorheen
Sint Thomasí en Sint Bartels vanen
De Afgoderij der Indianen,
Met wapenen des lichts, bestreÍn.
Wij volgden u door vijftien landen,
En bouwden kerken op den grond,
Daar ít eerst vol gruwelbeelden stond,
Waar voor de zwarte lampen brandden;
Daar Afgodisten wijn en rijs
En hanen wijdden aan dí altaren,
Voor Afgod Fe, van gansche scharen
Bewyrookt, Belzebub ten prijs,
Die nu zijn offereer moet missen.
Het licht verdreef de duisternissen.

Ie TEGENZANG.

De paradijsslang schort het noch
Aan logentaal, noch nabootseeren
Van waarheid; want Zij kan stoffeeren
Met glimp, en lokken met bedrog.
Dat tuigen offers en gebeden,
Gebedentellers, kerkgebaar,
De priesters, het geschoren haar,
De kloosternonneu, zuivre zeden,
Gestrengheid, vasten, feest op feest,
De bedevaart, de pelgrimsstappen,
Inwijdingen en broederschappen;
Zoo geestig momt de logengeest.
Doch waar de heilzon kwam te schijnen
Verloor het bijgeloof zijn kracht;
BesneÍnen scheidden uit dien nacht,
Zelfs koningen en Mandarijnen.
Zij stormden AfgoŰn uit pagoŰn,
Geplet tot puin, gestampt aan mortel, Verdelgden ít onkruid met den wortel,
En eerden Kristusí kruisgeboŰn.
Het zielverhuizen word verwezen,
Een zielpest, lastig in ít genezen.

IIe ZANG.

De zalige Xaveer had, voor
Held Rijkaart en Trigau. Japanners,
Ten schimp van alle wederspanners,
Terecht gebrocht op Kristusí spoor.
Zoo brandde dí ijver van Elias,
Gelijk een torts, in Achabs tijd,
Van Bašls Priesterdom benijd,
Een rij van eeuwen vůůr Messias;
En zegen volgde waar hij trad,
Nooit flauw van kracht en wonderwerken, Bezaayende alle steÍn met kerken,
Ja, veertig in een zelve stad.
Hij landt te Sanciane op ít eiland,
Ziet Sine en haar verblinde kust,
En wenscbt van harte, daar met lnet
Tí ontsteken ít kruislicht van den Heiland; Doch anders lag het in Gods raad:
Hij sterft; Japon, uit nijd veranderd
Van zin, beoorlogt Jezusí standert,
Die naar geene aardsche rijken staat;
Veel duizend martlaars triomfeeren.
Zoo kan de hofstijl  ommekeeren.

IIe TEGENZANG.

Zoo kan hier ook de heerschappij
Op eenen andren voet geraken;
De nood gebiedt ons streng te waken,
De Hemel sta den keizer bij
Want komt het hoofd der roovren boven,
En schupt den keizer uit Zijn staat,
Door ontrouw, twist, en eigebaat,
Wat vrijheid durven we ons beloven? Verandering van heeren baart
Verandering van stijl en wetten.
Wie kan een springvloed palen zetten
Dan eene macht, die ít al bewaart?
Kaifang, voor rijks Saffraanstroom open,
Na ít sloopen van den steenen dijk,
Zag oud en jong en arm en rijk
In eene bare zee verzopen,
Verdronken in een bruisend meer,
Eer dit Lykungzus kon bevroeden,
Die zag ze, tegens zijn vermoeden,
Vergaan: hier holp geen tegenweer.
Nu vlamt hij op de kroon der steden.
Laat ons hem spits biÍn met gebeden!

TOEZANG.

Alziende schildwacht, op den trans
Des hoogen hemels, rijk van glans,
Bewaak het hof, bewaak de muren!
Beveel alle oogenblik en uren
De ronden aan uw geestendom,
Zoo snel als vlugge winden, om,
Tot ís morgens vroeg van ís avonds spade,
Met uwe gunste en heilgenade
Te dekken teffens goÍn en kwa‚n:
De goÍn, opdat ze Uw naam vereeren,
De kwa‚n, opdat ze zich bekeeren.
Geen rijk kan zonder U bestaan.

De keizerin verschijnt met Pao, luttel blijde,
Die schoone rijksprinces. Vertrekken we aan een zijde,
En laat ons luisteren, wat haren geest bezwaart.
De midnacht daalt allengs van ít hoofdpunt nederwaart.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001